Het succes van de speelfilm De terugreis roept de vraag op of er zoiets als een Rotterdamse identiteit bestaat. En zo ja, waarin wijkt die af van bijvoorbeeld de Amsterdamse mentaliteit?
De wirwar in je eigen hoofd zit vol vooroordelen die nodig zijn om een beetje orde in de chaos te scheppen. Toch moet je die vooroordelen af en toe ook bestrijden. Ik zag de film De terugreis, met Martin van Waardenberg en Leny Breederveld. Na een enigszins stroef begin werd het verrassend, aandoenlijk, grappig en nog later zelfs ontroerend. Van Waardenberg goed, Breederveld geweldig. Maar nu het vooroordeel waarmee ik te kampen had. Martin praat Rotterdams, Leny niet. Die spreekt accentloos.
Ik ben een Rotterdammer en spreek Rotterdams, maar lang niet zo vet als Martin. Daar komt bij dat Martin in het begin van de film een tamelijk bekrompen, snel geïrriteerd mannetje is, terwijl Leny ondanks haar toenemende dementie een slimmere indruk maakt.
En hier komt het vooroordeel zijn nare neusje om de hoek steken. Ik ga er stiekem vanuit dat iemand die plat praat, niet erg slim is of zelfs dom. Dat geldt vooral grootsteedse accenten. Dus ik denk dat Martin en Leny niet zo’n goede match zijn. Het is een echtpaar op het onwaarschijnlijke af.

Vooroordelen houden langer stand dan je op grond van ontkrachtende ervaringen zou verwachten. Ik had zo’n ervaring toen ik een advocaat leerde kennen die ongehoord Rotterdams sprak. Als we met een groepje een fietstocht maakten, was het op den duur tijd voor appeltaart met slagroom, door hem uit te spreken als ‘oppeltaart mit slograum’. Ik had genoeg van hem gehoord en in mails gelezen om te beseffen hoe geestig en slim en onderlegd die man was. Dat heeft me enigszins van mijn vooroordeel verlost.
Als tegenwicht tegen dat vooroordeel denk ik nu zelfs dat het Rotterdams van die advocaat een teken van kracht is. Als Friezen, Tukkers of Limburgers naar het westen verhuizen, willen ze zo snel mogelijk van hun accent af, en al helemaal als ze voor radio of tv willen werken, behalve als ze Chriet Titulaer heten. De anderen zijn terecht beducht voor de vooroordelen. (Wat dat betreft zijn de Britse media toleranter. Een weerman op de BBC mag gerust een Yorkshire-accent hebben, maar Rob Trip mag niet klinken als Herman Finkers.)
Als je als advocaat in de rechtszaal plat Rotterdams spreekt, werkt dat niet in je voordeel, vrees ik. De rechterlijke macht is anders gewend en heeft waarschijnlijk toch de neiging zo’n Rotterdammer minder serieus te nemen. Ze zien al snel in dat dat onzin is, maar het is vermoedelijk geen goed begin. Toch trok die advocaat zich daar niets van aan. Ook hij had zijn accent kunnen bijslijpen, maar dat heeft hij niet gedaan. Daar moet je sterk voor zijn.
Terug naar Martin van Waardenberg. Die blijkt verderop in de film ook nog een beetje Engels, Frans en Spaans te spreken, natuurlijk wel met een zwaar Rotterdams accent. Hij en Leny blijken veel gereisd te hebben en onderweg vrienden te hebben gemaakt. Dat verwacht je niet als je het stroeve begin van de film hebt gezien. Maar ik vrees dat dat in mijn geval toch een beetje komt door dat Rotterdams van Martin.
André van Duin, Raven van Dorst, John Buijsman, Loes Luca, Joke Bruijs, Martin van Waardenberg, Frederique Spigt, Elise Schaap, Joris Lutz, Patrick Laureij, Paul de Leeuw, Richard Groenendijk. Ze hebben gemeen dat ze Rotterdammer zijn. (Groenendijk komt uit de diepe achtertuin van Rotterdam, Goeree-Overflakkee.) De vraag is: hebben ze meer gemeen dan hun Rotterdammerschap?
Nu even niet aankomen met die opgestroopte mouwen. Maar met wat wel? Ze kunnen goed kankeren (kampioen: Van Waardenberg), maar ze zijn goedlachs. Ze zijn nuchter en zullen niet snel piepen. Ze hebben geen kapsones en zijn makkelijk aanspreekbaar. Hoe slim ze ook zijn, ze maken geen intellectuele indruk. Die indruk willen ze ook niet maken. Het zijn geen snobs. Ze zijn trots, maar kloppen zich niet op de borst. Ze laten luid van zich horen, maar het zijn geen schreeuwers. Ze zijn artiest, maar zonder hooggestemde pretenties. Het zijn Rotterdammers.
Je zou haast denken dat ze de belichaming zijn van de Rotterdamse mentaliteit. Maar dan moet er wel zoiets zijn als een Rotterdamse mentaliteit. Dé Rotterdammer bestaat niet, natuurlijk. En toch is er een Rotterdamse mentaliteit, die afwijkt van de Amsterdamse. De bovenstaande lijst van artiesten ademt een sfeer die niet Amsterdams is.
Ik ben geboren in Amsterdam, maar ben Rotterdammer geworden vanaf mijn eerste levensjaar. Op mijn achttiende verhuisde ik naar Utrecht, waar ik meer dan veertig jaar heb gewoond. Dat heeft nauwelijks sporen achtergelaten. Ik ben en blijf een Rotterdammer. En ik ben terug.
Tientallen jaren heb ik voor de Amsterdamse krant Het Parool gewerkt, maar je kunt niet zeggen dat ik daar de Amsterdamse mentaliteit heb leren kennen. Allemaal import op die redactie. Het grappige was dat ik als Rotterdammer als een van de weinigen een geboren Amsterdammer was.
De artistieke wereld in Amsterdam is ook grotendeels import, maar de mentaliteit is anders dan in Rotterdam. Denk aan pretentieuze dramakoninginnen als Ramses Shaffy en Wende Snijders. Die zouden in Rotterdam nauwelijks voet aan de grond hebben gekregen. André Hazes had het hier natuurlijk wel gered.
Ik heb over die Amsterdamse mentaliteit veertig jaar geleden een schimplied gemaakt als zanger van de Rotterdamse band Noodweer, terwijl ik al voor het toen nog landelijke Het Parool schreef. Vaak herhaalde regel: ‘Als je niemand bent, ga naar Amsterdam.’ Als je niemand bent rijmt op: zoek de hipste tent, wees een schijntalent, stenig een agent en naar de therapeut gerend. ‘Schaduw van een metropool/ Intellectueel riool’ en ‘Broeinest van de ijdelheid’ kwamen er ook in voor. En al rappend: ‘Zuipen, vreten, zwetsen, met een cultureel gezicht/ Als een vriend zich doodspuit, heb je stof voor een gedicht.’
Dat zijn natuurlijk teksten die zwaar over de rand waren, maar zoals een collega bij Het Parool zei: er zit toch veel waars in. André van Duin en Loes Luca hebben verstandige dingen gezegd over de licht vijandige tegenstelling Rotterdam-Amsterdam. Namelijk dat die onzinnig is. Dat is waar, maar toch ben ik blij dat ik (weer) Rotterdammer ben.
