Het ABC van HBC
Toen Hugo Brandt Corstius’ vrouw Tatje overleed en hij, ontredderd, met zijn drie kinderen in een koffer als het ware, naar de Verenigde Staten vertrok, heb ik hem een condoleantiebriefje gestuurd. Als het waar is – zoals Elsbeth Etty in haar onlangs verschenen biografie Ik heb nog nooit gelogen (een hell of a job, goed gelukt) schrijft – dat HBC nooit iets weggooide, moet mijn, zoals het hoort, handgeschreven briefje nog ergens zijn. Waarom schreef ik hem dat?

Ik beroem me op de volgende daden. Een stuk in het losbladige Kritisch Lexicon van Kluwer over zijn oeuvre, dat zal dan misschien omstreeks de dood van zijn vrouw geweest zijn. Daarin beweerde ik onder meer dat HBC’s werk zonder noemenswaardige ontwikkeling is – hij was er meteen al, compleet, en in alle opzichten. De pseudoniemen overlappen.
Verder heb ik aan een boek, Het literair klimaat, een bijdrage geleverd over het fenomeen van de alom oprukkende columnistiek – en het aantal columnisten dat er toenemend met de P.C. Hooftprijs van doorging. Maar ten derde, en nu komt het, ben ik er een beetje trots op dat ik Battus’ meesterwerk Opperlandse Taal- & Letterkunde persklaar heb gemaakt voor Querido, tegen een fatsoenlijk uurtarief, vanuit een chaos van vooral grijze fotokopieën.
Ik kan zulke dingen, zo heeft het lot beschikt, ik zie cursieve komma’s die romein moeten zijn. Nu ja, als het moet, ik kan ook gewoon lezen. Maar enfin, zodoende ben ik in het gelukkige bezit geraakt van achtereenvolgens de eerste druk plus een daaropvolgende, beide 1981, mij toegestuurd door de uitgever. Met in de tweede een getikt briefje van ‘Drs. G. van Buren’, luidend: ‘ONS boek droeg veel prijs weg mede dankzij uw dienstvaardigheid. Werp uw beëzelsoord en bebotervlekt exemplaar heen en zet daar dit versch exemplaar voor in den plaats.’
De man, nogal eens gezien als totaal empathieloos, zag er dan toch op toe dat er een exemplaar naar mij toe ging. Zoals de liefhebbers van het Opperlands, de Nederlandse taal op vakantie, allen weten, verscheen er ten slotte (twintig jaar later, 2002) een inmiddels tot ongeveer driemaal de oorspronkelijke omvang bijgewerkt en uitgebreid Opperlans! Want, zo beweerde de auteur, de d in het woord Nederlands wordt niet uitgesproken. Dan kent hij mij niet, is het enige wat ik daarover zeggen kan. Maar weer een absurd en verslavend meesterwerk, eerlijk is eerlijk.
In het mij toegestuurde exemplaar lag een handgeschreven briefje:
Beste Tjit
Kersepit
Hugo
Spugo
Ik kende de grap al wel, wil ik bekennen, vanaf het gymnasium, waar de conciërge Van Gelder mij van tijd tot tijd vanuit zijn zogenaamde loge (een soort portiershokje nabij de ingang) toeriep: “Tjit, een man waar pit in zit.” (Tjit Reinsma publiceert onder het pseudoniem Nicolaas Matsier, red.)
Natuurlijk koester ik de briefjes. Ik moet mezelf verbieden al die heerlijke boeken nu opnieuw open te slaan, want anders valt er weer een gat in het door mij te schrijven boek. Maar ik kan me er niet van weerhouden toch nog even naar de palindromen te kijken. Een van de mooiste blijft wat mij betreft het korte Madam I’m Adam – de eerste woorden van de eerste man gericht tot de eerste vrouw. Engels! Geen Hebreeuws zoals iedereen dacht.
