Ter tafel: een wetsvoorstel om terrorismeverheerlijking aan te pakken. Aanleiding is, aldus de Memorie van Toelichting, de zorg van de AIVD over de groei van jihadisme en rechts-extremisme. De discussie over het wetsontwerp, onder meer aangezwengeld door de Nederlandse Vereniging van Journalisten, gaat niet over die aanleiding. Waar we van de NVJ over moeten nadenken, is of de formulering dermate onduidelijk is dat serieuze journalisten onder druk komen te staan, en dat gaat zeker spelen wanneer mensen als Geert Wilders, Dilan Yeşilgöz en Caroline van der Plas aan de macht komen. Die hebben eerder al duidelijk gemaakt geen oog te hebben voor het belang van de journalistieke vrijheid van meningsuiting.

In 2005 was er al eens een wetsvoorstel dat ‘het vergoelijken en bagatelliseren’ van terrorisme strafbaar zou stellen. Dat is een stille dood gestorven, omdat de formulering van dat verbod eerder discussie opriep dan duidelijkheid verschafte. ‘Verheerlijking’ is beter bruikbaar. In een debat over Gaza zeggen dat wat Hamas doet niet door de beugel kan, is vergoelijkend, maar een bijdrage aan het debat, te onderscheiden van een verheerlijkende oproep om Netanyahu de Nobelprijs voor de Vrede toe te kennen.
De tweede toets voor de bruikbaarheid is of duidelijk is wanneer je van terrorisme kan spreken. In art. 83 van ons Wetboek van Strafrecht wordt die kwalificatie al gebezigd en in de praktijk kan men er wel mee uit de voeten. Indicatie kan zijn of een organisatie op een sanctielijst is geplaatst. Dan zal het toch al gauw om iets terroristisch gaan en is het redelijk voorspelbaar dat je in de gevarenzone terechtkomt wanneer je zo’n club in het zonnetje zet.
Lastiger is dat er een paar maal tot in hoogste instantie geprocedeerd zal moeten worden om de wetsbepaling het reliëf te geven dat hier wat simpel wordt geschetst. Wilders, en in een verder verleden Theo van Gogh, dwongen rechters tot fijnmazige beschouwingen over wat discriminatie precies inhoudt, en het ligt voor de hand dat verheerlijkers van terrorisme zich te buiten zullen gaan aan spitsvondige taalkundige uiteenzettingen. Het wordt dan even doorbijten en justitie heeft wel wat beters te doen, aldus minister David van Weel toen de hulpverlening aan illegale vreemdelingen strafbaar leek te gaan worden.
Het doet raar aan om een Justitieminister een wetswijziging te horen verdedigen waar hij niets mee wil doen, maar hij heeft een punt. Vooruit, er zijn heel wat strafbaarstellingen in de wet die nauwelijks of niet wakker zijn gekust, deze kan er dus nog wel bij. Voor het laatst in 1951 is iemand vervolgd die met de Zwitserse vlag ‘het Zwitserse nationale gevoel’ zou hebben gekrenkt. De strafbepaling (art. 435 d) is exotisch, maar een half uurtje bladeren in het Wetboek van Strafrecht levert behoorlijk veel dode letters op.
Met het wetsvoorstel valt daarom te leven, al zijn er haken en ogen en is het onwaarschijnlijk dat jihadisten en fascisten tot zwijgen worden gebracht. Zorgelijk is dat de officier van justitie de bevoegdheid krijgt om in het verband van verheerlijking gegevens over telefoongesprekken op te vragen bij telecommunicatiebedrijven. De Memorie van Toelichting neemt niet de moeite uit te leggen wat die inbreuk op de persoonlijke levenssfeer rechtvaardigt en ook niet wat het nut is voor de opsporing. Vooralsnog dus een slecht plan.
