Op 5 februari is nogal plotseling Guus Gonggrijp (1949) overleden. Hij was vanaf het eerste jaar van het blad een hoogst curieuze, buitengewoon aimabele medewerker van Argus, een prima stilist met opmerkelijke interesses. En een rechtlijnige marxist-leninist met een ruim gevoel voor ironie. Dat is geen alledaagse combinatie.

Het grootste deel van zijn beroepsleven was Guus leraar Duits. Zijn laatste school was het Amsterdamse Spinoza Lyceum. Waarom koos hij voor een studie Duits? “Je moet je kunnen inleven in de vijand.” Die zat niet in de DDR; Guus was van 1983 tot de val van de Muur in november 1989 eindredacteur van de in Dresden vervaardigde Nederlandse editie van de DDR-Revue. Een onversneden propagandablad, Guus gaf dat grif toe. Tientallen anekdotische stukjes over die periode verschenen in de Argusrubriek Achterwaarts; ze werden in 2022 gebundeld in het boek Munitiefabriek van de Vrede. Zeven jaar PR voor de DDR.
Bij het verschijnen ervan werd hij door Trouw geïnterviewd. “Ik had in de DDR een leventje als een luis op een zeer hoofd, verdiende meer dan ik op kon maken en hoefde alleen maar wat op te letten. Zo voorkwam ik dat een prachtig artikel de DDR-Revue haalde waarin een Duitse collega haar fantasie beschreef: dat Anne Frank op aarde terugkeerde en in de DDR het land van haar dromen vond. Ik voorzag problemen in Nederland. (…) De kameraden hebben me de onderscheiding Aktivist der sozialistischen Arbeit toegekend. Je moest het in de DDR wel heel bont maken om zonder onderscheiding oud te worden.”
De presentatie van dat boek in het Amsterdamse café Brecht, prima naam natuurlijk en een fraaie gelegenheid, mocht een belevenis heten, compleet met de Trabis, een zanggroepje dat nostalgische DDR-hits ten gehore bracht. Guus paradeerde er met zijn DDR-onderscheiding. In Dresden stelde hij zich op als enfant terrible, zoveel risico liep hij als buitenlander ook niet; hooguit dreigde uitzetting.
Hij verhaalde van een curieuze provocatie: “Zo brachten we eens het nieuws dat de DDR meewerkte aan een project om de oeros terug te fokken, een gigantisch rund met vervaarlijk kromme horens dat rond 1627 was uitgestorven. In diezelfde tijd liet partijleider Erich Honecker weten dat het joodse leven in de DDR-hoofdstad Berlijn diende terug te keren. Er werd een synagoge gerestaureerd, uit de VS was een rabbijn ingevlogen, maar hoe nu verder? Eén plus één is twee, en zo belandde mijn voorstel in de ideeënbus om de Duitse jood terug te fokken. Aangezien bij mij ook nog wel het nodige joodse bloed door de aderen vloeide, was ik zelfs bereid om persoonlijk een steentje bij te dragen. Binnen de kortste keren werd ik bij de directeur ontboden.”
Zelf leerde ik Guus begin jaren tachtig kennen in de CPN-afdeling van de Bijlmermeer, de buurt waar hij is blijven wonen. Een vrij radicale afdeling, speels aangeduid als Bijlmerbolsjewieken. Op vergaderingen verscheen Guus met das en in pak. En hij had nogal eens afwijkende meningen. Begin jaren tachtig was er sprake van mogelijke ‘burgerwachten’ die ettertjes van veelal Marokkaanse afkomst in toom moesten houden. Fatsoenlijk links vond dat een naargeestig idee, Guus niet. “Als we die burgerwachten nu gewoon Volksmilities noemen, wat is er dan tegen?”
Een ander te slechten taboe hield verband met de merkwaardig hoge stookkosten in de Bijlmer, die in een aantal flats over alle bewoners werden omgeslagen. Wat bleek: veel verse Surinamers hielden zoveel van het warme vochtige klimaat in hun land van herkomst dat ze dat imiteerden door de hele dag de warme douche open te zetten. Beetje pijnlijk; Guus stelde het aan de orde.
Over migratie had hij later een ook in zijn milieu minder gangbare mening. “In 1973 heeft de Franse schrijver Jean Raspail, toch echt geen rechts-extremist, het fenomeen van een massale immigratie uit de Derde Wereld en het onvermogen van Europa om daar wat tegen te ondernemen met griezelige precisie voorspeld. De enige oplossing is dat de volkeren waaruit nu de vluchtelingenstromen zijn ontstaan, in eigen land voor leefbare verhoudingen zorgen.”
Voor Argus stortte hij zich vooral op historische zaken. Hij kon het ook hebben over de echte vertrouwelingen van Vladimir Poetin (die hij in Berlijn eens tegen het lijf liep), over de complotdenker David Icke, over de relatie van dictators met hun poes. Hij had grote belangstelling voor mislukte uitvindingen en ook voor wapentuig. Waar kwam dat vandaan? Zijn omgeving vermoedt dat het iets te maken had met de Tweede Wereldoorlog, die hem hevig bezighield. Niet zo vreemd voor een zoon van een joodse moeder en een vader die hij amper heeft gekend, die aanvankelijk ter bescherming van zijn vrouw licht collaboreerde, maar dat later wel erg enthousiast en grootscheeps deed.
We zullen Guus zeer missen. Zijn vrienden hebben inmiddels onderdak gevonden voor zijn poes Mozes, ruim vijftien jaar oud. Dat was niet heel moeilijk, Mozes stelde weinig eisen. Dat heeft hij met zijn overleden baas gemeen.
