Het zijn toch wel erg vaak vragen zoals deze, ik pak er nu even drie bij.
“Wie kent jou het best?”
“Wat is jouw leukste herinnering op het werk?”
“Van wie heb je het meest geleerd in je leven?”

Op zichzelf is het best een aardig idee. Kijk, aan elk zakje uit het value pack van vijftig stuks, Douwe Egberts, since 1753, zit een soort papieren handvatje van 2×2 cm. Aan het eind van het touwtje, bedoel ik, waarmee je het zakje in de theepot laat zakken, en waarmee je het er drie minuten later weer uithaalt.
Misschien is het ook niet meer dan een drieminutenvraag. Je ontbijt, je zet een pot thee, Pickwick genaamd, en je denkt: iemand bij Douwe Egberts moet dus een liefhebber zijn geweest van Charles Dickens’ eersteling The Pickwick Papers. En verder: dat er ’s morgens vroeg meteen een vraag op je afgevuurd wordt, helemaal niet erg. Het leven moet op gang komen.
Lang geleden, toen de voortreffelijke bijlage Letter en Geest nog bestond, nodigde het dagblad Trouw scribenten uit om zich te buigen over een zelfgekozen zogeheten Lastige Vraag van de Zwitserse schrijver Max Frisch. Ik zal er twee citeren. Het boekje kan wat mij betreft zo herdrukt worden, meesterwerkje.
De eerste: “Weet u zeker dat het voortbestaan van het menselijk ras, wanneer u en iedereen die u kent er niet meer is, u echt interesseert?” De laatste: “Waarom huilen stervenden nooit?” Stof tot nadenken, ga er maar aan staan. Er staan 272 vragen tussen de eerste en de laatste. Over kinderen, mannen, vrouwen, eigendom, huisdieren, hoop – noem maar op.
Nou ja, je hoeft de vraag van het theezakje niet te beantwoorden. Maar wat me er nogal aan tegenstaat is het superlativisme. Het zijn geen open maar potdichte vragen. Ze gaan over het dit-of-datste en zodoende bewerken ze bij mij direct een enorme onwil. Er zijn misschien wel vijfentwintig of honderd mensen in mijn leven van wie ik, op terrein zus of op terrein zo, veel geleerd heb. En er is toch zeker een handvol mensen, of een dozijn, die mij ieder weer anders het beste kennen. Zelf ben ik dat zeker niet.
