Jaargang 10 • Verschijnt tweewekelijks • Losse nummers € 4,90

Antisemiet Elferink deelde het sabbatmaal met Weinreb

door | jun 19, 2026

De classicus Lambertus Elferink hield van Homerus, maar ook van Hitler. ‘Hoe raar kan het lopen in een mensenleven,’ verzuchten de biografen Arnold Carmiggelt en Marieke Keur in Hoe een classicus nazispion werd.

Lambertus Elferink (1910-1992) was van eenvoudige komaf, maar had ambitieuze ouders die hem naar het Barlaeus Gymnasium stuurden. De studie klassieke talen bracht hem daarna in verschillende Europese hoofdsteden. Al jong publiceerde hij, niet alleen op zijn vakgebied, maar ook heftig antisemitische artikelen. Elferink propageerde de Dietse gedachte, onder meer in het blad van de Vlaming Wies Moens. In 1939 werd hij gerekruteerd door het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken om als spion in Zuid-Afrika te gaan werken. Codenaam: Hamlet.

Samen met dubieuze organisaties als de Afrikaner Broederbond moest Elferink, inmiddels getrouwd met een Zuid-Afrikaanse geheim agente, de Britsgezinde regering ondermijnen. Ook moest er natuurlijk een zendinstallatie voor Duitse propaganda komen. Nog voordat dit laatste gerealiseerd was, werd Elferink in 1943 door de Britse geheime dienst, die hem van dag tot dag in de gaten had gehouden, gepakt en in Engeland gevangen gezet. Hij ontkende hardnekkig alle aantijgingen en omdat de Britten hun bron niet konden onthullen, moesten ze hem na de oorlog uitleveren aan Nederland.

Ook hier kregen de instanties, waaronder Bijzondere Rechtspleging, het niet voor elkaar een officiële aanklacht tegen Elferink rond te breien. In de Scheveningse strafgevangenis bloeide een hechte vriendschap op met een andere gedetineerde, Friedrich Weinreb. Elferink ging Hebreeuws studeren en bezocht Weinreb tot in de jaren zestig elke vrijdagavond thuis voor het sabbatmaal. Hoe het kan dat een rabiate antisemiet – want dat was Elferink ook na de oorlog gebleven – en een jood vriendschap sluiten, is een raadsel waar de auteurs zelf ook niet helemaal uitkomen. Zij houden het erop dat de twee geleerden vielen voor elkaars eruditie.

Er was nog een andere, al even ongerijmde vriend: de volkskundige Piet Meertens, beter bekend als Meneer Beerta uit de romancyclus Het Bureau van J.J. Voskuil. Meertens geloofde heilig in Elferinks onschuld, onderhield het contact met diens Zuid-Afrikaanse echtgenote en deed pogingen hem vrij te krijgen.

Dat Elferink begin 1949 inderdaad vrij kwam, was niet aan Meertens te danken, maar aan het ontbreken van een rechtsgrond om hem nog langer vast te houden. Met verdonkeremaande Reichsmarken kocht hij een kapitale villa en settelde hij zich in Den Haag als leraar oude talen aan verschillende gymnasia. ‘Déze man met déze bagage gaat ruim twintig jaar les geven aan middelbare scholieren,’ schrijven de auteurs verontwaardigd. Sommige leerlingen roemden hem later als een bevlogen, inspirerende docent, andere stoorden zich aan de lofzangen op Apartheid en racisme die hij soms tussen de klassieken door vlocht.

De controversiële Elferink is in zijn leven krankzinnig veel bekende personen tegen het lijf gelopen. In een boek is dat alleen maar interessant, maar in een recensie kan het te veel worden. Henriette Boas was een klasgenoot, de bokser Robey Leibbrandt een collega, Malcolm Muggeridge een vriend in Zuid-Afrika. En dan is er nog schrijver Nicolaas Matsier/Tjit Reinsma, een door hem geïnspireerde leerling op het ’s-Gravenhaags Christelijk Gymnasium.

Na de dood van Elferinks Zuid-Afrikaanse zoon in 1967 ontspoorde hij compleet. Hij bewerkstelligde zijn eigen ontslag en schreef warrige stukjes over zedenverwildering in een extreemrechts blaadje. Hij ging zelf wijn maken. Kort voor zijn overlijden, op 3 september 1992, landde de uil van Minerva voor het eerst en het laatst op zijn schouder. Elferinks laatste devies luidde: ‘Geef mij maar aan de vuilnisman mee.’

Arnold Carmiggelt, Marieke Keur: Hoe een classicus nazispion werd. De omzwervingen van Elferink;  Walburg Pers, € 29,99

PROEFABONNEMENT
4 NUMMERS VOOR € 16