Jaren zestig, het werd weer eens oorlog in het Midden-Oosten. De rector van ons gymnasium in Amsterdam liep hoogstpersoonlijk de klassen af en zei: “Zeg tegen jullie ouders dat er maandag op school geld wordt opgehaald voor Israël. En laten ze geven met gulle hand.” Het leidde tot weinig discussie.

Voor mij was het de vraag of ik dit thuis moest vertellen. Toen ik op de lagere school zat, was mij een doos kleurpotloden toegestuurd met op elk potlood het woord Hatikva, de naam van het Israëlische volkslied. Die bracht ik trots mee naar school, en meteen was ik het lievelingetje van juf Redberg. Die had in de klas ook een film laten zien over iemand die een stuk woestijn in cultuur probeerde te brengen. Dat wilde aanvankelijk niet vlotten, maar opeens kronkelde daar een regenwurm. Niets stond de bloeiende landschappen meer in de weg.
Later was ik aan het handje meegenomen naar de film Shalom, het wonder van Israël, een onvervalst stuk staatspropaganda. Mijn moeder was tenslotte van joodse komaf, wat ik toen voor het eerst hoorde. Het zei me niks, maar niet veel later vroeg ik haar voorzichtig hoe dat moest met al die Arabieren daar. Die moesten maar een stukje opschuiven, er was plaats zat, meende ze. In mijn idee trokken die daar toch alleen maar rond op hun kamelen, dus dat was geen probleem.
Het duurde nog lang tot de echte twijfels kwamen. Een exclusief joods land, het leidde in de familie tot heftige discussies. Toentertijd was ik gaan geloven in assimilatie, en intussen zo links, dat ik niets moest hebben van een staat die de VS als voornaamste bondgenoot had. Ik gaf de oproep van de rector dus niet door.
Er bleken twee meisjes te zijn aangewezen om het geld op te halen, beiden klasgenotes en beiden van joodse komaf. Een was de dochter van de beeldhouwer Wessel Couzijn. Voor zover ik het kon overzien, gaf het vrouwelijke deel van de klas zonder uitzondering. Die waren niet anders gewend; als ze hun gymspullen waren vergeten, moesten ze van juf Monasch geld in een potje voor Israël doen. Bij de jongens waren er drie weigeraars. Een was René Dammen, uit een communistisch gezin en later voorman van de ‘horizontalen’ binnen de CPN, die zich afscheidden als de Nieuwe Communistische Partij van Nederland. Dat de onomstreden grijze CPN-eminentie Paul de Groot zich nog eens zou bekennen tot ‘het joodse volk van Israël’ kon hij toen niet bevroeden. Daarna was ik aan de beurt. Ik liet het bij een simpel ‘nee’. Als blikken hadden kunnen doden…
Maar er was nog een klasgenoot die niets gaf, en dat was verrassend. Hij was nooit opgevallen door enige stellingname, en dat in de jaren zestig. Maar waarom hij niets had gegeven, wilde hij – zijn naam blijve onvermeld – wel toelichten. “Mijn vader zegt: Geld aan de joden geven is onzin. Die lui bulken al van het geld.”
