Ischa Meijer en ik scheelden maar drie jaar, maar het voelde alsof er een wereld tussen ons lag: ik was van na de oorlog, hij wás de oorlog. Vaak stormde hij de bibliotheek binnen waar ik werkte. “Mag ik even bellen? Ja Jenny met mij, hoe gaat het? Ik ben even bij Jacques op het toneelmuseum, probeer om half een terug te zijn, dag schatje!”

Wat hij precies zocht in mijn bibliotheek was nooit duidelijk. Het was een rustpunt tussen afspraken, een plek om tussen boeken te scharrelen. Hij waardeerde mijn kennis van het internationale amusement. Die wereld fascineerde hem mateloos; hij had er kortstondig zelf deel van uitgemaakt in een programma met Jenny. De pers vond het niets, maar ik vond het curieus en gewaagd. Het verschil tussen de virtuoze Jenny en de schutterige Izzy M was groot, maar juist door zijn amateurisme durfde hij meer dan menig beroeps. Standup bestond nog niet in Nederland, maar Ischa was een voorloper: persoonlijk, confronterend, wars van het moralistische vingertje. “Op het Damrak vroeg een Amerikaan me naar het Anne Frankhuis – zoek zelf maar een onderduikadres!”
Ik vroeg Ischa eens of hij zijn verleden van zich afschreef. “Nee,” zei hij, “je kunt alleen iets naar je toe schrijven.” Dat lukte hem vooral in liedjes en gedichten, zoals Victorieplein, waarin hij ’s nachts bij zijn oude voordeur staat. Zijn ouders, zijn verleden – hij sprak er soms met me over. “Van onaardige ouders word je geestig,” zei hij. “Je leert je door humor handhaven.” Humor als overlevingsstrategie. Hij voelde zich nog lang na de oorlog bewoner van het concentratiekamp dat zijn ouders bij elke verhuizing opnieuw voor hem oprichtten.
In mijn bibliotheek zocht hij Franse chansons en boeken over Amerikaanse, vaak joodse komieken. Mel Brooks vond hij de leukste man ter wereld: smakeloos, banaal, plat. “Dat probeer ik ook te zijn,” zei hij. “Als ik érgens een hekel aan heb, is het beschaafd amusement.” Hij kon hard lachend de fonteinscène uit Mel Brooks’ film The Producers navertellen, voor hem een hoogtepunt van joodse humor.
Als Ischa klaar was met boeken doorbladeren, wilde hij opnieuw bellen. “Hoe gaat het? Nee niks. Bel zomaar. Nou, tot straks hè?” Daarna begon hij zich te bemoeien met mijn bibliotheekklanten, veelal leerlingen van de kleinkunstacademie. “Wat heb je daar voor muziek? Ga je dat zingen? Ken je Yves Montand, Mouloudji? Hoe heet je? Wat wil je worden?”
Ischa als de komiek Izzy M werd niet door iedereen gewaardeerd. Hij behaagde niet, was niet gezellig, was uitdagend, en wekte gevoelens van schaamte op. Ischa voelde zich een buitenstaander. Hij kon niet meekomen met de anderen, dus deed hij maar leuk dwars, hij hoorde er toch niet bij. Iemand voor gevorderden. A comedians’ comedian. Na zijn dood hoorde ik van veel kanten dat hij een zak was geweest. Die ervaring had ik niet.
Ischa liet voor een gastoptreden in Berlijn affiches drukken: ‘Izzy M, der sympatische Jude.’ Toen hij me het vertelde, heb ik een dag gelachen.
