Jaargang 10 • Verschijnt tweewekelijks • Losse nummers € 4,90

Laaggeletterd? Twijfels bij Pisa-alarm

door | nov 2, 2026

Vorig jaar scoorde 39 procent van de Nederlandse vijftienjarigen onder de maat bij leesvaardigheid in het internationale Pisa-onderzoek. In 2015 was dat nog 18 procent, in 2018 24 procent en 33 procent in 2022. De negatieve trend is onmiskenbaar. Volgens het recente rapport van Pisa (Programme for International Student Assessment) lopen nu bijna vier op de tien Nederlandse vijftienjarigen het risico laaggeletterd het onderwijs te verlaten. Maar die voorspelling roept vragen op.

De vijftienjarigen die deelnemen aan Pisa, doen één, twee of drie jaar later het centraal eindexamen Nederlands. Wie dat examen met een voldoende afsluit, heeft in elk geval aan de eisen van dat examen voldaan. Je zou verwachten dat een sterke daling van de leesvaardigheid ook zichtbaar is in de examenresultaten. Die over de jaren 2019-2025 laten echter zien dat het percentage onvoldoendes voor het centraal examen Nederlands schommelt, maar niet structureel is gestegen. Gemiddeld haalde in die jaren 7,9 procent van de kandidaten op vmbo-basis een onvoldoende, tegenover 15 procent op vmbo-kader, 15,5 procent op vmbo-gemengd/theoretisch, 19,1 procent op havo en 19 procent op vwo, zo blijkt uit de Examenmonitor voortgezet onderwijs 2025. Die percentages liggen ver onder de percentages leerlingen die volgens Pisa het risico lopen het onderwijs laaggeletterd te verlaten. Als zo veel jongeren onvoldoende leesvaardig zijn, waarom zien we dan niet vergelijkbare uitkomsten bij het eindexamen Nederlands?

Misschien verlaten veel zwakke lezers het onderwijs voordat zij examen doen. Hun lage scores zouden dan wel in Pisa, maar niet in de examenresultaten voorkomen. Maar in 2021-2025 bedroeg het gemiddelde percentage voortijdige schoolverlaters in het voortgezet onderwijs volgens DUO (Dienst Uitvoering Onderwijs) en het Nederlands Jeugdinstituut slechts 0,6 procent.

Leerlingen in het praktijkonderwijs doen geen landelijk centraal eindexamen Nederlands. Ook dat kan een verschil veroorzaken, maar zij vormen volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek gemiddeld niet meer dan 1,58 procent van de totale leerlingengroep. Een andere factor zou dyslexie kunnen zijn. Bij Pisa krijgen leerlingen met dyslexie geen extra toetstijd, terwijl dat bij het centraal eindexamen Nederlands wel mogelijk is. Dat kan de examenresultaten gunstig beïnvloeden. Het is echter niet aannemelijk dat een half uur extra tijd een groot verschil verklaart. Bovendien had volgens onderzoek van de Onderwijsinspectie in 2019 slechts 14 procent van de leerlingen een dyslexieverklaring. Verschillen tussen de leerlingenpopulaties lijken dus onvoldoende om de discrepantie te verklaren.

De verklaring ligt misschien eerder bij de omstandigheden waaronder leerlingen de toetsen maken. Voor vijftienjarigen heeft de uitslag van Pisa geen directe gevolgen. Het resultaat telt niet mee voor hun schoolloopbaan en bepaalt niet of zij overgaan of hun diploma halen. Bij het eindexamen staat er veel meer op het spel. Ook de toetstijd verschilt. Het centraal examen Nederlands duurt twee uur op het vmbo en drie uur op havo en vwo. Bij Pisa neemt het onderdeel leesvaardigheid hooguit een uur in beslag. In 2025 moest die tijd bovendien worden gedeeld met opgaven over wiskunde, computational problem solving en/of Engelse taalvaardigheid.

Het is dus denkbaar dat leerlingen zich voor Pisa minder inspannen dan voor hun eindexamen. Ook de beperkte toetstijd en het ontbreken van persoonlijke consequenties kunnen de resultaten beïnvloeden.

Een ander verschil: Pisa en het eindexamen Nederlands meten niet hetzelfde. Pisa meet leesvaardigheid aan de hand van drie begripsprocessen: informatie opzoeken, teksten begrijpen, en informatie evalueren en erop reflecteren. Bij het eerste gaat het onder meer om het vinden en selecteren van informatie in teksten, tabellen en grafieken. Bij het tweede moeten leerlingen betekenissen en verbanden begrijpen. Bij het derde beoordelen zij bijvoorbeeld de kwaliteit en geloofwaardigheid van teksten en herkennen zij tegenstrijdige informatie.

In Pisa 2018 scoorden Nederlandse leerlingen gemiddeld hoger dan leerlingen in andere onderzochte landen op het opzoeken van informatie. Voor teksten begrijpen was er geen duidelijk verschil met het internationale gemiddelde; bij evalueren en reflecteren scoorden Nederlandse leerlingen juist onder het gemiddelde.

Zijn de lage scores van de afgelopen jaren ook vooral te wijten aan problemen met evalueren en reflecteren? Dat weten we niet. In Pisa 2022 en 2025 is leesvaardigheid niet op dezelfde manier uitgesplitst naar deze drie processen. Er ontbreken vergelijkbare gegevens over de verdeling van die processen in het centraal examen Nederlands. Mogelijk spelen inhoudelijke verschillen tussen Pisa en dat examen dus een rol, maar hoe groot die is, valt niet vast te stellen.

Pisa en het examen Nederlands hebben ook een verschillend doel. Pisa is bedoeld om de algemene leesvaardigheid van jongeren internationaal te vergelijken en ontwikkelingen over langere tijd te volgen. Leerlingen worden niet specifiek op de toets voorbereid. Het centraal examen Nederlands heeft een ander doel: het beoordeelt leesvaardigheid binnen een schoolvak, waarin leerlingen leren teksten te analyseren, interpreteren, beoordelen en samenvatten. In de bovenbouw worden zij daar gericht op voorbereid.

Pisa onderzoekt de brede leesvaardigheid van vijftienjarigen, het eindexamen beoordeelt de leesvaardigheid van oudere leerlingen binnen een schoolvak waarop zij zijn voorbereid. Een leerling kan daarom bij Pisa onder de maat scoren en later toch een voldoende halen voor het centraal examen. Dat maakt geen van beide toetsen op zich ondeugdelijk.

De vergelijking tussen de Pisa-resultaten en die van het examen Nederlands heeft al met al het karakter van het vergelijken van appels met peren. Maar dat neemt niet de vraag weg op welke gegevens we ons moeten baseren als we willen voorspellen hoeveel leerlingen het onderwijs laaggeletterd verlaten. Op een toets die jongeren op hun vijftiende maken, waarvoor zij hooguit een uur krijgen, waarop zij niet zijn voorbereid en waarvan de uitslag geen gevolgen heeft voor hun schoolloopbaan? Of op een examen waarvoor zij twee tot drie uur de tijd krijgen, waarop zij zich jarenlang hebben voorbereid en waarvan de uitslag medebepalend is voor hun diploma, en dat wordt afgenomen op het moment dat zij daadwerkelijk de school verlaten?

De examenresultaten verdienen bij het antwoord op die vraag het meeste gewicht. Ze geven een directer beeld van de leesprestaties van leerlingen aan het einde van de schoolloopbaan. De Pisa-cijfers op zich bieden onvoldoende grond voor de bewering dat bijna vier op de tien Nederlandse leerlingen het onderwijs laaggeletterd dreigen te verlaten.

De dalende Pisa-scores verdienen beslist nader onderzoek. Maar wie uitspraken wil doen over de leesvaardigheid waarmee leerlingen de school verlaten, kan niet volstaan met een toets die jaren eerder en onder wezenlijk andere omstandigheden wordt afgenomen. De voorspelling van de Pisa-rapporteurs is niet in lijn met de beschikbare examenresultaten. Dat verschil vraagt om een verklaring, niet om een voorspelling dat bijna vier op de tien Nederlandse schoolverlaters laaggeletterd zullen zijn.

PROEFABONNEMENT
4 NUMMERS VOOR € 16