Veel mensen gedragen zich als een lul-de-behanger. Sommigen van hen zijn momenteel zelfs dagelijks in het nieuws. Ze bedienen zich van opmerkelijk grove taal en vanuit hun epische kortzichtigheid richten zij wereldwijd chaos aan. Het is tamelijk gangbaar om een onaangenaam persoon een lul te noemen, vooral als het een man betreft. Maar waar komt die behanger in vredesnaam vandaan? En sinds wanneer bevindt deze beroepsgroep zich in deze positie?

Laten we met het L-woord beginnen. Een doedelzak werd halverwege de zestiende eeuw een lullepijp genoemd. Zieken en zuigelingen kregen in de zeventiende eeuw te drinken uit een lul, een kan met aan de bovenkant een zuigpijpje. Taalkundigen zijn het er niet over eens welke rol die twee begrippen precies hebben gespeeld bij het L-woord in de betekenis ‘penis’, maar hoogstwaarschijnlijk heeft het pijpje of het slangetje een rol gespeeld.
Hoe dan ook wordt het L-woord al sinds het eind van de zeventiende eeuw als scheldwoord gebruikt. Zo zet een boek uit 1678 iemand weg als ‘een out lulletje’. Lees: als een oude sukkel. In 1695 is het L-woord opgetekend in de betekenis ‘mannelijk lid’. En in een publicatie uit 1712 lezen we over een dronken lul – evenmin complimenteus bedoeld.
De geschiedenis van het behang laat zich kort samenvatten: vanaf de middeleeuwen hingen kasteelheren tapijten aan de muren tegen kou en vocht. In de zeventiende eeuw stapten rijke huizenbezitters over op behang van leer of papier. Geleidelijk aan kreeg de decoratieve functie de overhand, zeker toen behang van papier steeds goedkoper werd. In een krant uit 1731 biedt iemand een herenlogement aan voorzien van ‘verscheyde commodieuse kamers, met schone tapyten en behangzels behangen’.
Het duurde vervolgens nog ruim 250 jaar voordat het L-woord en de behanger elkaar vonden. In 1968 schreef Haring Arie, in een boek getiteld Een leven aan de Amsterdamse zelfkant: ‘Als het te warm was voor haring, verkocht ik zure bommen. Die bommen waren wel eens keihard. Ik heb eens zo’n lullenbehanger meegemaakt die er z’n baksnaaiem [‘bek, gebit’] op brak.’
Haring Arie is de schrijversnaam van Arie Elpert (1923-1995), een Amsterdamse souteneur en crimineel die in de jaren zestig en zeventig enkele verhalenbundels publiceerde over het ruige stadsleven. Of Elpert het woord lullenbehanger zelf heeft verzonnen is niet bekend, maar bij mijn weten stelde hij het voor het eerst op schrift. Hij gebruikte het meermaals. Zo schrijft hij in een bundel uit 1969: ‘Die lullebehanger had nog praatjes op de koop toe.’
Na Haring Arie vinden we dit woord in het werk van Jan Cremer. Dat wil zeggen: in enigszins aangepaste vorm. In 1972 heeft Cremer het in De lollie van Mollie over een ‘luldebehanger van een ambtenaar’.
Daarna ging het los. We vinden het L&B-woord in het werk van Kees van Kooten en Wim de Bie, bij Wim T. Schippers (‘lullebehanger op wielen’) en vanaf 1975 geregeld in kranten en tijdschriften. De opmerkelijkste vindplaats is de Grote Nederlandse Larousse encyclopedie. In 1976 vermeldt dit naslagwerk het trefwoord lulbehanger, met als betekenis klooi, klungel, kluns.
Hoe de behanger in deze netelige positie terecht is gekomen, zullen we helaas nooit weten. Hoogstwaarschijnlijk functioneert zijn beroepsnaam simpelweg als een versterking. Tamelijk willekeurig gekozen, net als bij lulletje lampenkatoen en lulletje rozenwater.
