Wat zij van deze twee reizigers zonder bagage gedacht hebben, nooit geweten. We maakten nog even een wandeling, stukje de bergen in, Zwarte Zee achter ons. Kon nog net. We kwamen in een gehucht van niet eens een handvol vrij grote, houten boerderijen. We werden binnengevraagd in de grootste.
Daar maakten we kennis met Baba. Gelukkig had ik mijn Langenscheidts Turks zakwoordenboekje bij me, zodat er een soort conversatie met heel veel tussenpozen op gang kon komen. We zaten op de grond, mijn vrouw en ik. Aan een muur hing een eenvoudig fototoestel. Zo te zien niet om gebruikt te worden, alleen getoond. In de verte, om een hoekje, af en toe een vrouwengezicht. Daarvandaan arriveerde thee. Er heerste over en weer een maximaal respect. Ik maakte optimaal gebruik van mijn misschien honderd woorden Turks.
Wij moesten blijven eten. Het was niet mogelijk daaraan te ontkomen. We zaten, met een stuk of wat mannen – Baba, de zoons, ik – en mijn vriendin rond een groot, rond blad waarop iets als pannenkoek of plat brood, dat we in een zoete melk doopten. Met de handen. Waarna we, ook daaraan was geen ontkomen, moesten blijven slapen. Het haalde niets uit om uit te leggen dat we beneden, aan de kust van de Zwarte Zee, een hotel hadden. Er was geen sprake van dat ze ons lieten gaan.

Dus bleven we slapen. Tegen deze onverzettelijke gastvrijheid waren we niet opgewassen.
De volgende ochtend werd ons uitgeleide gedaan, langs een karige moestuin, waar de sperziebonen op een paar handen te tellen waren. We namen omstandig afscheid. Er was niets verkeerd gegaan, het stond ons vrij de onverharde weg naar beneden te nemen, terug naar het hotel, waar onze bagage op ons wachtte.
