Wat een nuffige beesten zijn het toch, ze moeten elke twee maanden naar de kapper om hun vacht in zogenaamd sierlijke vormen te laten trimmen, ze hebben een belachelijk knotje als staart, ze zijn bang van elke scheet, ze blaffen niet maar keffen…. Nee, poedeltjes zijn geen honden. Met die mededeling joeg ik mijn beste vriendin zo in de gordijnen dat we anderhalf jaar (!) niet on speaking terms waren. Vooroordeel, generalisatie, algehele botheid, meende zij. En ik vond dat ik dat gerust mocht vinden, een beetje overdreven was het wel, maar toch: poedeltjes zijn geen honden.

Totdat ik een hond ontmoette die níet raar opgeschoren was, die een leuke, tamelijk lange staart had, die dapperder was dan menige herdershond, die een mooie blaf over zich had. En het was een poedel. Dus ik heb mijn mening herzien; er zijn wel degelijk poedels die honden zijn. En met die vriendschap is het ook goedgekomen, die duurt nu al zo’n zestig jaar. Nou ja, met een onderbreking van anderhalf jaar dus.
