Seasonal greetings, zo noemde onze Syrische vriend de jaarlijkse uitwisseling van wensen. Die was op zijn instigatie tot stand gekomen. Dat kwam zo. Wij waren in Aleppo, voornamelijk om in die prachtige stad een kunstwerk te bezichtigen van onze oudste dochter, artist in residence aldaar. De jonge Assad was zijn vader net opgevolgd, de stad was nog niet verwoest. Wij maakten een wandeling, mijn vrouw en ik, toen we werden aangesproken door een kleine heer. Hij droeg een pak en was misschien een jaar of tien, twintig ouder. Hoffelijk verzocht hij ons een kopje koffie met hem te drinken. Hij stak er een sigaret bij op. Hij was leraar Engels of hij was het geweest. Hij vroeg en kreeg ons e-mailadres. Hij kende nu, vertelde hij, drie schrijvers: een Deen en een Engelsman had hij al.

Ik raakte gesteld op het jaarlijkse ritueel dat zich begon te voltrekken met deze man van wie ik nagenoeg niets wist. Alleen dat hij getrouwd was geweest en gescheiden. En dat hij een volwassen dochter had. Persoonlijk worden in enige zin van dat woord, dat was de bedoeling niet. Zo’n jaar of tien gingen de wensen heen en weer. Over politiek laat staan oorlog, inmiddels, nauwelijks een woord. Wie weet moesten we op onze hoede zijn, vijftien procent van de bevolking werkte voor een van de geheime diensten. De seasonal greetings gingen dus over zo goed als niets. Ik heb hem een keer een kwatrijn van Omar Khayyam gestuurd, het enige gedicht dat ik uit het hoofd ken – vertaling Edward FitzGerald. ‘The Moving Finger writes; and, having writ,/ Moves on. Nor all your Piety nor Wit/ Shall lure it back to cancel half a Line/ Nor all your Tears wash out a Word of it.’
De uitwisseling van mails is nu al heel lang achter de rug. Maar toen de gevechten tegen Assad nog volop gaande waren en er van elke wijk in Aleppo steeds minder overbleef, hadden we hem in gedachten, Wadjih Al Hamwih, die er hoe dan ook mee was opgehouden, het versturen van zijn seasonal greetings.
