Bij het bericht dat oud-minister Hans van den Broek was overleden, herinnerde ik me hoe hij degene was die ooit mijn interviewserie ‘Langs de feministische meetlat’ mogelijk maakte. Het was 1992, Opzij bestond twintig jaar en in dat jaar hadden alle ministers een bijdrage moeten leveren aan een emancipatiebeleidsplan. Dus wij kregen op de redactie de heldere gedachte dat dit het aangewezen moment was om de ministers kritisch te bevragen over hun emancipatiegezindheid. We wilden toch al eens ‘iets met mannen doen’, dus dan gelijk maar hoog gegrepen. Het was de tijd van het derde kabinet-Lubbers, de Tweede Feministische Golf was al zo’n 25 jaar oud, maar nog steeds hadden we een overvloed aan mannelijke ministers en slechts een enkele vrouw.

Met wie zouden we beginnen? Nu had ik ooit in de klas gezeten met mevrouw Van den Broek, toen nog José van Schendel geheten, op het St. Ursulalyceum in Roermond. Misschien zou dat schelen, als ik haar man als eerste zou benaderen voor wat een serie moest worden. Dat had ik goed gezien. In zijn kamer in het ministerie van Buitenlandse Zaken zat hij me op te wachten met een fotoalbum op tafel. Dat had zijn vrouw hem meegegeven, zodat we, om het ijs te breken, samen wat klassenfoto’s van haar en mij konden bekijken.
Daarna barstte ik los met een hele serie erg strenge vragen. De arme man kreeg dan ook een onvoldoende op de Meetlat: min 1. Maar ja, wat wil je als je dingen beweert als: ‘Komen scheidingen ook voor in gezinnen waar de vrouw thuiszit?’, ‘Ik ben blij dat mijn vrouw is thuis gebleven om onze dochters op te voeden’, ‘Kinderopvang is primair een zaak van de ouders, die moet je niet willen afwentelen op de overheid’ en ‘In de strijd tegen vrouwenbesnijdenis is het beter een klein sneetje toe te laten (een soort besnijdenis-light ) als je daarmee een échte besnijdenis kunt voorkomen.’ Daar kon ik toch echt geen mooi cijfer voor geven.
Maar Van den Broek was niet haatdragend en heeft z’n collega’s in het kabinet niet afgeraden om zich door mij te laten interviewen. Trouwens, zijn opvolger in de rij, Ernst Hirsch Ballin, kreeg ook een min 1.
Dat ik ondanks dit toch wat sneue begin kon doorgaan met de serie, had ongetwijfeld ook te maken met Jaap van der Ploeg, oud-NOS-journalist die bij de Rijksvoorlichtingsdienst (RVD) was gaan werken. Hij adviseerde bewindslieden en hun woordvoerders zich door mij te laten interviewen. ‘Ik was niet van het bangelijke soort,’ mailde hij me toen ik hem onlangs nog eens vroeg naar die tijd.
Maar met Ruud Lubbers, naamgever van het kabinet, lukte het uiteindelijk niet. Hij had RVD-directeur Hans van der Voet als woordvoerder en die ontried hem met klem mij te ontvangen. “Omdat hij zwaar onder nul geëindigd zou zijn en dat was bepaald geen aanbeveling voor een minister-president,” zoals hij later vertelde aan politicologe Marja Wagenaar, die een boek schreef over de RVD, waarvan Van der Voet directeur was van 1983 tot 1995.
Overigens was er een politicus die later veel slechter op de Meetlat scoorde dan Van den Broek. Dat was SGP-voorman Bas van der Vlies, wiens interview als kop kreeg: ‘Het feminisme wil ik bestrijden’. Het kon altijd nog erger.
