Als Bob Polak zich in een onderwerp vastbijt, laat hij niet los voordat hij er alles van weet. Noem het obsessief. Zijn belangstelling voor de dichter Max de Jong komt onder meer tot uitdrukking in zijn voorzitterschap (weliswaar a.i.) van het Max de Jong Genootschap (weliswaar al sinds 2018 i.o.), zijn boekje Dansen volgens Max de Jong (2020), het bezorgen van Aforismen (2021) en Verzamelde gedichten (2022), de samenstelling van Bij het gedicht ‘Heet van de naald’ van Max de Jong (2022) en Bij het Dagboek van Max de Jong (2023), en de jaarlijkse verschijning van het Max de Jong magazine (sinds 2022).

Max de Jong was een generatiegenoot van Willem Frederik Hermans, Gerard Reve en Leo Vroman. Hij stierf in 1951 op 33-jarige leeftijd en liet een klein oeuvre na. Alleen het lange gedicht Heet van de naald, in 1947 bij Van Oorschot verschenen, is meerdere keren herdrukt. Van het dagboek dat De Jong in 1947 begon, kwam in 2016 een officiële uitgave tot stand.
Dankzij Polaks speurwerk weten we waar Max de Jong zijn maaltijden placht te gebruiken, op welke vrouwen hij een oogje had, hoe hij over collegaschrijvers en -dichters dacht, van welke telefooncel hij op zondag 16 januari 1949 gebruikmaakte om Geert van Oorschot te bellen en op welke plek op het Damrak precies de jarenlang enige bekende foto van Max de Jong was gemaakt.
Nu Bob Polak ook het Adresboek van Max de Jong en Bij het Adresboek van Max de Jong als één gezamenlijke publicatie het licht heeft doen zien, moeten we concluderen dat weinig uit het leven van De Jong onopgemerkt is gebleven.
In het ene deel van deze uitgave is het adresboekje in facsimile afgedrukt. Op de eerste bladzijde wordt de eventuele vinder gevraagd het terug te bezorgen bij Max de Jong, doorgestreept: Nicolaas Witsenkade 22, Stalinlaan 37, Amsterdam. Na twee lege bladzijden volgt het als eerst genoteerde adres: dat van de ANWB. Intrigerend: was De Jong lid van de wielrijdersbond? Op dezelfde bladzijde het adres van Gerrit Achterberg, wat bij een dichter meer in de lijn der verwachtingen ligt.
De Amsterdamse adressen beginnen op bladzijde 77. (De nummering is uiteraard van Bob Polak.) Hier komen we Bertus Aafjes tegen, als ook Rein Blijstra, Henriëtte van Eyck, Adr. Morriën, Karel v’t Reeve [sic] en Simon v h Reve, die in 1948-’49 aan de Achtergracht 7 woonde. Adressen buiten Amsterdam staan in de eerste helft van het adresboekje; daaronder die van J.C. Bloem, Bert Bakker, J. Greshoff, André Gide en S. Vestdijk – maar inconsequent genoeg ook van W.F. Hermans, die eind jaren veertig een kamer bewoonde aan de Apollolaan 129.
Alle adressen van de op alfabet genoteerde namen worden op hun beurt door Bob Polak alfabetisch toegelicht in Bij het Adresboek van Max de Jong. Zoals het een goede rechercheur betaamt, heeft hij namen en adressen ook gecheckt en kennelijk gedubbelcheckt. Zo zegt hij bij De Lairessestraat 108 II: ‘Volgens MdJ een woonadres van Adriaan Roland Holst (1916-2004), dichter. De Woningkaarten in het Stadsarchief Amsterdam geven geen uitsluitsel over dit adres. Clara Eggink (1906-1991) woonde hier van 1950 tot 1953.’
Overigens moeten de jaartallen bij Roland Holst zijn: 1888-1976. Hier sliep de rechercheur even.
Natuurlijk staan er ook familieleden in, maar ook ‘Neel’, met daaronder, enigszins geheimzinnig: ‘Ottawa, Canada (gaat de verplaatsing naar Z.-Am. nog door?)’.
Deze Neel is Neeltje Wibaut. Zij was het die Max de Jong aanzette tot het lange gedicht Heet van de naald, of liever gezegd: het was haar vertrek, met haar man en kinderen, in 1947 naar Canada dat hem daartoe bracht. Zij was de Onbereikbare Liefde die door haar emigratie alleen maar nóg onbereikbaarder werd. Al in 1939 had De Jong een gedicht aan haar gewijd in Groot Nederland. Kennelijk had hij haar het tijdschrift toegezonden. In een dankbriefje vroeg zij hem: ‘Een ding zou ik graag van U weten n.l. hoe U mij kent en of ik U ken.’
Dodelijk voor iemand die verliefd is, maar de liefde van Max de Jong voor Neeltje Wibaut is desondanks altijd blijven smeulen. De 364 regels van Heet van de naald lijken in 1946 in één doorwaakte nacht op papier geslingerd te zijn: ‘we zijn elkaar misgelopen/ ik heb het verkeerd gedaan.’ De laatste regel luidt: ‘jammer is zo iets.’
Bob Polak: Het Adresboek van Max de Jong; Stichting Polak & Van der Kamp, € 125
