Tijdens mijn eerste bezoek aan Italië, onheuglijk lang geleden, werd ik vooral getroffen door de onmiskenbaar necrofiele kanten van het katholicisme daar. Voor mij, als doopsgezinde domineeszoon, was de roomse uitbundigheid bij ons al verbazingwekkend, terwijl die na de noodlottige versobering van de jaren zestig eigenlijk nogal meeviel, zeker vergeleken met het zuiden van Europa.

In vrijwel elke Italiaanse kerk worden lichaamsdelen van heiligen bewaard: tanden, tongen, vingerkootjes, noem maar op, vaak in zilver of goud gevat, en dikwijls nauwelijks herkenbaar. Op veel plaatsen pakt men evenwel breder uit.
Ik herinner me het in een glazen vitrine tentoongestelde geraamte van Sinte Clara (1194-1253) in Assisi, waarbij een nonnetje hartstochtelijk zat te wenen. Ik wilde haar troosten met de mededeling dat deze metgezellin van Sint Franciscus (en vanwege haar visioenen sinds 1958 schutspatroon van de televisie) nu toch al wel dood zou zijn, maar daartoe schoot mijn beheersing van het Italiaans nog te kort.
De rechteronderarm van Franciscus Xaverius, de ‘apostel van het verre oosten’, is te zien in de Gesù, de Jezuïtenkerk in Rome, met een bordje waarop staat dat deze arm vele duizenden ongelovigen heeft gedoopt (Questo braccio ha battezzato migliaia e migliaia d’infedeli). De rest van de heilige verblijft in het afgelegen Goa, waar zijn overschot (zonder onderarm dus) den volke om de tien jaar wordt getoond.
Dat is allemaal nog maar klein bier: in Rome is eveneens de zogeheten ‘bottenkerk’ te bezoeken, aan het begin van de Via Veneto, waar men de schedels en beenderen van duizenden monniken artistiek heeft gerangschikt. Ik maak me sterk dat de toeristen die dit godshuis aandoen meer door sensatiezucht dan door vroomheid bezield worden.
Naarmate je verder in de laars naar onderen reist, neemt de obsessie met lijken toe. In Napels bevindt zich de ondergrondse begraafplaats Fontanelle, waar een kleine dertigduizend schedels, van voornamelijk pestslachtoffers, liggen opgetast. Tot verontrusting van de kerk adopteerden veel Napolitanen een tijdlang zo’n schedel, die hun als een soort talisman geluk moest brengen.
Onlangs waren wij in Palermo, wat al lang op mijn verlanglijstje stond, inzonderheid omwille van de Catacombe dei Cappuccini, een grafgewelf waarin zo’n vierduizend doden grotendeels aan haken langs de muren zijn opgehangen, gerangschikt naar familie, geslacht of beroep. Ooit was het een duurbetaald voorrecht daar bijgezet te worden, en de kleding der doden werd van tijd tot tijd vervangen.
Het is een eenmalige ervaring tussen al die vergankelijkheid rond te lopen, en de schouwlustigen hoeven niet tot stilte gemaand te worden, dat gebeurt vanzelf. De openingsscène van de schitterende film Cadaveri eccellenti (1976) met Lino Ventura – ik zeg het niet graag, maar terug te zien op YouTube – speelt zich daar af.
Veel Palermitanen, onder wie onze gastvrouw, mijden de catacomben levenslang bijgelovig, maar ik was gefascineerd, onder meer door een gemummificeerd echtpaar dat nog steeds in gesprek lijkt. De aangrijpendste aanblik wordt gevormd door het meisje Rosalia Lombardo, dat in 1920 op tweejarige leeftijd stierf, en zo kundig is gebalsemd dat het lijkt of ze ieder ogenblik kan ontwaken. De taxidermist die dit wonder heeft verricht, heeft zijn geheim meegenomen in het graf, dat zich overigens heel ergens anders bevindt.
