De weg naar huis vanaf de kleuterschool in de Palmstraat ging langs het café op de hoek van de Brouwersgracht en dan de Lindengracht op. Daar stond een huis met een houten trap waar soms vrouwen zaten te kletsen. Bovenaan de trap stonden de deur en het raam wijd open. Er klonk muziek. Ik zag boven de vensterbank twee meisjes die hun hoofden heftig op het ritme bewogen. In hun blonde krullen zat bij de ene een blauwe en bij de andere een rode strik. Ik stond stil om ernaar te kijken. “Kom maar boven!” riep de rode strik. De muziek stopte en beide meisjes kwamen de houten trap afgehuppeld. Ze droegen dezelfde jurkjes, die bij hals en mouwtjes waren afgewerkt met kant. Ze riepen: “Kom!” en duwden me naar boven.

Na een verveloos halletje stond ik in de huiskamer. Tegen de muur stond een kast met open deuren waaruit kleding hing. In het midden stond een tafel met een kofferpick-up. Ze zetten het grammofoonplaatje opnieuw op en blèrden mee. De blauwe strik riep: “Dat zijn wij, we zijn op de radio.” Ze klommen op de tafel en zongen Little Banjo Boy. De naald van de pick-up huppelde over het vinyl door het gewiebel van de tafel. “We zijn beroemd, dat zijn wij!” riep de rode strik. Toch meende ik te horen dat de stemmen uit de luidspreker anders klonken.
Na het optreden sprongen ze van de tafel en duwden me door een keukentje naar een houten trapje dat naar een tuintje voerde. Daar stond een hok met een deur van kippengaas. Ze openden die en zeiden: “Ga maar binnen kijken of je de kippetjes ziet.” Ik kreeg een harde duw waarna ze de deur achter me sloten. Ik zag de twee strikken door het gaas kijken en hun tong uitsteken, waarna ze verdwenen. Nu zette ík het op een blèren.
Het duurde niet lang of er kwam een vrouw aangerend die geschrokken door het gaas keek en de deur opentrok. De ‘zingende zusjes’ stonden een stukje verderop. “Ik ken verdomme niet een boodschap doen of jullie zijn weer bezig,” riep de vrouw, die nóg woestere blonde krullen had dan de meisjes. Ze zette een paar passen en ik zag een hand uitschieten. Eerst kreeg de rode strik een oplawaai, waarna de andere een paar klappen kreeg die haar blauwe strik deden ronddraaien. Hierna zette ze het net als haar zusje op een schreeuwen. Door mijn tranen keek ik ze triomfantelijk en vol minachting aan. Met die belachelijke scheef in hun krullen hangende strikken, betraande rode ogen en druipende wangen konden ze zó op de radio als De Jankende Zusjes.
De moeder aaide me en vroeg: “Hebben die rotmeiden je opgesloten?” Ik knikte. In het keukentje trok ze een blikken trommel uit een kastje en gaf me een handvol koekjes voor onderweg. Het plaatje Banjo Boy hoorde ik daarna nog wel eens op de radio. De Jankende Zusjes zijn nooit doorgebroken.
