Waarom vallen Amerikanen keer op keer voor narcistische leiders die hun ego boven het landsbelang stellen? En waarom speelt imposante lengte daarbij ook een rol? Een studie van Amerikaanse presidentsverkiezingen tussen 1924 en 1992 leert dat de langere kandidaat vrijwel altijd meer stemmen kreeg dan de kortere, maar dat dit extra gold in tijden van economische en politieke crisis. Hoe groter de sociale instabiliteit, hoe meer de kiezer naar een dominante en sterke leider verlangde. En daar is niets aan veranderd.

Klimaat, economie, oorlogsdreiging en polariserende bevolking zorgen bij veel Amerikanen voor een onzeker en onbehaaglijk gevoel. Ideaal voor narcisten die met hun charisma uitstralen dat ze orde op zaken gaan stellen. Narcisten die weten hoe te manipuleren, kort door de bocht te gaan en zelfs hoe de wet te omzeilen. Het gaat hier even niet specifiek over Donald Trump, maar ook om enkele van zijn illustere voorgangers.
In de top drie van extreme narcisten staan Lyndon B. Johnson, Richard Nixon en Andrew Jackson. Alle drie werden ze geconfronteerd met corruptie en het gevolg van door hen gemaakte fouten. Overmoed zette Jackson ertoe aan de Supreme Court uit te dagen en de Native Americans hardhandig van hun land te zetten, leidde Johnson ertoe de Vietnamoorlog onnodig lang voort te zetten, ondanks waarschuwingen van minister van Buitenlandse Zaken Henry Kissinger, en trok Nixon in het Watergateschandaal.
Als tegenpool van deze narcisten kan George Washington worden opgevoerd, die zo verlegen en nederig was dat hij overgehaald moest worden om het presidentschap te aanvaarden en niet wenste op te gaan voor een derde termijn.
Ook Amerikaanse ondernemers en bankiers kunnen narcistische trekjes vertonen. Zo zorgden belangrijke banken, waaronder Lehman Brothers, ervoor dat er na de crisis in het jaar 2000 meer risico’s werden genomen dan verstandig was. Banken investeerden in onder meer riskante subprime hypotheken, die leidden tot het ineenstorten van de huizenmarkt en het faillissement van klanten en banken.
De arrogantie van Steve Jobs – hij parkeerde zijn auto op een invalidenplaats omdat regels niet voor hem zouden gelden – leidde tot het lanceren van de veel te dure Apple Lisa en het verbreken van de banden met zijn directies, waarna hij in 1985 uit zijn eigen bedrijf werd gezet. Zelfs in de sport geldt de vuistregel: de spelers in de basketbalcompetitie NBA die de meeste opschepperige verhalen hebben getweet, blijken het minst te presteren, aldus The New York Times.
En waarom trappen niet alleen Amerikanen in weerzinwekkend narcisme? Omdat de overmoed verborgen gaat achter de charme van de afzender.
En dat terwijl de narcist gemakkelijk te ontmaskeren is: hij schept over zichzelf op, vindt dat hij recht heeft op aandacht en als hij die niet krijgt, beweegt hij hemel en aarde om gehoor te krijgen, terwijl hij beweert ten onrechte te worden gediscrimineerd.
Talrijke studies hebben uitgewezen dat mensen in crisistijd liever een narcist aan het roer hebben dan een fatsoenlijke kapitein. Vooral mensen met een laag zelfbeeld zouden vallen voor de typische egotripper. Het begint al op school: in 96 procent van de klaslokalen worden leerlingen met narcistische trekjes gekozen als leiders.
De Amerikaan Adam Grant, psycholoog aan de Wharton School van de Universiteit van Pennsylvania, beweert dat vrouwen over het algemeen minder aanleg hebben voor narcisme en dat een arme achtergrond nederige leiders oplevert. Die zouden minder openstaan voor omkoperij en manipulatie dan degenen die met een zilveren lepel in de mond zijn geboren. Een geschiedenis als overlever zou compassie teweegbrengen.
De oplossing om narcisten de pas af te snijden, is volgens de New York Times de oorzaken van hun succes wegnemen: meer zekerheid bieden, leiderschap ook op menselijkheid beoordelen, en de burger als volwaardig beschouwen en niet als dom kiesvee.
