Jaargang 10 • Verschijnt tweewekelijks • Losse nummers € 4,90

Historici over hun fraaie zelf

door | mrt 31, 2026

IJdeltuiterij, opgeblazenheid en gewichtigdoenerij is de titel van een bescheiden boekje over historici en hun egodocumenten. Historicus Rudolf Dekker verzamelt al tientallen jaren autobiografieën, memoires, dagboeken en briefwisselingen voor de website www.egodocument.net. In deze uitgave verkent hij het aandeel van zijn soortgenoten in de berg van publicaties. Het was Jacques Presser die de term ‘egodocument’ muntte en met de mooiste omschrijving kwam: ‘documenten, waarin een ego zich opzettelijk of onopzettelijk verhult of verbergt.’

Uit Dekkers inventarisatie blijkt dat historici net mensen zijn: ze verschillen niet zoveel van autobiografen uit andere disciplines. Ook zij doen zich graag bescheiden voor en verklaren dat ze op dringend verzoek van ánderen met hun memoires begonnen zijn. Nadat deze al dan niet valse bescheidenheid is overwonnen, moeten ze nog heel wat vakgerelateerde problemen de baas worden. Ze hebben in hun opleiding veel geleerd over de listen en lagen van het geheugen en moeten een keuze maken bij het verweven van hun persoonlijke historie met de algemene geschiedenis. Het verhaal moet bovendien leesbaar blijven, dus zuinigjes met voetnoten.

Terzijde: het boek van Dekker telt tachtig bladzijden tekst, twintig bladzijden voetnoten en tien register. Er wordt dus veel aangestipt en weinig uitgediept. Wat de autobiografen – het zijn voor het overgrote deel mannelijke hoogleraren – verhullen, blijft ook hier verhuld. De auteur zegt daarover: ‘Rivaliteiten, protectie, roddel en achterklap… de vele verhalen daarover doen nu alleen mondeling de ronde, dus is het hoog tijd voor een oral history project.’ Met name vrouwelijke studenten, student-assistenten, promovendi en collega’s zouden wel eens een heel ander boekje open kunnen over de heren professoren.

Ger Harmsen schreef met Herfsttijloos (1993) de omvangrijkste autobiografie. Hij verklaarde dat hij niets over zichzelf wilde achterhouden, maar dat hij uit discretie wel terughoudend was over anderen. Ook Loe de Jong wilde in Herinneringen openhartig over zichzelf schrijven, maar juist het uitweiden over zijn intieme roerselen kwam hem op kritiek te staan. De tijd was er blijkbaar nog niet rijp voor.

In het hoofdstuk over familiegeschiedenissen opent Dekker frontaal de aanval op Hans Blom, hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam en directeur van Oorlogsdocumentatie. Blom pleitte er in zijn inaugurale rede In de Ban van Goed en Fout (1983) voor om de geschiedenis van de bezettingstijd uit het stramien goed-fout, verzet-collaboratie te halen en nieuwe vragen te stellen over bijvoorbeeld de stemming van de bevolking, of de neiging zich te voegen naar de omstandigheden. Dekker geeft deze rede op zijn zachtst gezegd tendentieus weer. Blom zou hiermee de weg hebben geëffend voor bedenkelijke goedpraterij die sommige nazaten van foute Nederlanders nu in hun familiegeschiedenissen tentoonspreiden.

Zoals Chris van der Heijden, promovendus van Blom, of Onno Blom, zoon van, in Oorlogsduif, het boek waarin ‘het handelen van de Haagse NSB-familie Blom’ als relatief onschuldig en tijdgebonden wordt omschreven. Dekker suggereert, nogal vilein, een verband met het openbaar worden van het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging. Een soort vlucht naar voren dus. Als dat klopt, staan ons nog heel wat minder fraaie verhalen en projecten te wachten. 

Rudolf Dekker: IJdeltuiterij, opgeblazenheid en gewichtigdoenerij. Historici, autobiografie en fictie.
Panchaud, € 15,95

PROEFABONNEMENT
4 NUMMERS VOOR € 16