Onlangs verwees het Dagblad van het Noorden maar weer eens naar een tekst van Ede Staal. Het is dit jaar tenslotte veertig jaar geleden dat ‘de Zingende Legende aan de Rand van het Wad’ overleed, maar dat betekent niet dat hij niet voortleeft in het hart en de ziel van de meeste Groningers en van de aficionado’s ver daarbuiten.

De krant had een bestemming gekozen voor de traditionele Zomertour en de weg daarnaartoe heeft Ede prachtig beschreven: ’t Is de lucht achter Oethoezen, ’t Is ’t Torentje van Spiek, ’t Is de weg van Lains naar Klooster en deur Westpolder langs de Diek. En dan kom je vanzelf bij Eendenkooi de Onrust.
In zijn beste Groningse liedjes hoor je zijn ziel op zijn stembanden liggen, schreef Henk van Middelaar in 1996 in zijn biografie Ede Staal: Geef Mie De Nacht. Ede mag dan al zo lang niet meer onder hen zijn, de meeste Groningers zijn hem nog lang niet vergeten. En ook in andere delen van het land, vooral daar waar andere talen en dialecten worden gesproken dan het Nederlands, en zelfs in Japan heeft de zanger van het Groningse lied nog altijd veel volgers.
Ondanks de schaduw van het foute verleden van zijn vader, waaronder hij volgens zijn zus erg heeft geleden, heeft hij in de woorden van Van Middelaar een stem die door zijn donkere warmte de luisteraar naar zich toe lokt, verleidt en meeneemt. Zo donker en diep dat we hem mysterieuze krachten toeschrijven rond de kracht van zijn teksten en hoe poëtisch dat Gronings kan klinken. Ik vroag de wind mor dij verstaait mie nait, ik vraag de zee dij zingt heur aigen laid, geef mie de nacht din heb ik onderdak. Doarom, doarom zing ik.
Zelf sprak de zanger van ‘een klok die luidt en knettert in het matglas van mijn denken’.
Het is verleidelijk om de poëzie van Ede Staal te vergelijken met die van Jacques Brel. Zijn stem heeft meer de romantiek en melancholie van Le Plat Pays dan de overdonderende energie van Marieke of La Valse à mille temps. En Mijn Vlakke Land wordt weliswaar Mien Hogelaand, maar de sfeer van grijze nevel die over dijken en duinen valt en de natte westenwind die gierend van venijn over het Vlaanderenland trekt, wordt aan
de randen van het Wad tenminste geëvenaard:
’t ls de waait, ’t is de hoaver, ’t is de koolzaad in de blui,
’t Is de horizon bie Roanum vlak noa ’n dunderbui,
Dat is mien laand, mien Hogelaand.
Zijn het ook niet dezelfde oudjes van Les Vieux zonder dromen en met hun piano’s blijvend gesloten, die in ’t Het nog nooit zo donker west figureren?
Ze woonden soamen in ’n hoeske, zai wat stief fan reumetiek,
Toch konden ze zok hail nuver redden
in ’t lutje hoeske achter diek,
De kinder waren al laank de deur oet,
toch kwamen ze vaok nog op ’t old stee,
En mainsttieds hadden ze ’t over vrouger,
din wizzen z’ apmoal wat e zee;
’t Het nog nooit, nog nooit zo donker west,
of ’t wer altied wel weer licht.
In 2000 was er in de Museumboerderij van de borg Verhildersum in Leens, ooit de woonplaats van de leraar Engels, een tentoonstelling te zien die neerkwam op een tocht door het leven, de muziek en gedichten van de koning van het Groningse lied. Een bezoeker schreef dat Ede Staal het verborgen gevoelsleven van de Groningers naar buiten heeft gebracht. Veertig jaar na zijn dood ligt de ziel van Ede Staal nog altijd op zijn stembanden.
