Ik was jong en had mijn eerste auto. Daarmee reed ik ’s nachts om vijf uur Utrecht uit, terug van een feestje. Toen ik op de rotonde bij de Blauwkapelseweg was, kwam er een sportwagen aansuizen, duidelijk niet van plan mij voorrang te geven. Het probleem loste zich echter vanzelf op, want de sportwagen raakte van de weg en kwam tegen een paal tot stilstand. De voorkant was volledig ingedeukt, de motor pruttelde nog wat na.

Bezorgd over de toestand van de bestuurder zette ik mijn auto aan de kant en liep in zijn richting. Maar die was al uitgestapt en stond naast het wrak, onbewogen. “Dag Helge,” zei hij. Het was Arthur, die ik vagelijk kende uit Hilversum.
“Is alles goed met je?” vroeg ik. “Wat lullig van je auto.”
“Het is mijn auto niet,” antwoordde Arthur.
“Van wie dan?” vroeg ik.
“Niet van iemand die ik ken,” zei Arthur. “Ga jij naar Hilversum?” Hij wilde duidelijk ter zake komen.
Het drong tot me door dat ik te maken had met het toentertijd populaire joyriding. Mijn normbesef was nog niet erg ontwikkeld, maar het wrak achterlaten en Arthur meenemen voelde niet goed. En dan had je nog de pakkans: er waren vroege vogels op straat, en in sommige omringende flatwoningen brandde al licht. Als mensen bij mijn wegrijden met Arthur mijn nummerbord noteerden, zou ik al gauw te achterhalen zijn als medeplichtige. “Kunnen we gaan?” drong Arthur aan.
Ook dit probleem loste zich vanzelf op, want een politiebusje hield halt op de rotonde. Twee agenten stapten uit, bekeken de sportwagen en daarna Arthur. “Uw papieren,” zei de ene. “En uw rijbewijs.”
“Het is mijn auto niet,” zei Arthur. De agent pakte hem meteen bij de schouder, duwde hem naar de stoep aan de overkant van de rotonde en sprak intussen in zijn mobilofoon. Arthur draaide zich nog even naar me om: “Dag Helge.”
Ik bleef achter met de andere agent, die naar zijn busje wees. In het achterdeel daarvan stonden een tafel en twee stoelen. De agent ging zitten en ik tegenover hem.
“Jullie kennen elkaar?” vroeg de agent. Ik knikte. “Dus jij komt aanrijden,” zei de agent, “om vijf uur ’s nachts. En dan komt er een andere auto aan en die botst tegen een paal. De bestuurder stapt uit, en die blijk jij dan te kennen. Dat is wel erg toevallig, vind je niet?”
“Ja,” zei ik, “dat is erg toevallig.”
“Erg toevallig,” herhaalde de agent. ”En dat moet ik geloven?” Er viel een lange, gespannen stilte, waarbij hij met zijn vingers op het tafelblad trommelde en me strak aankeek.
“Weet jij wat ik denk?” zei hij ten slotte. “Pa-pe-gaai-en-soep.”
“Papegaaiensoep?” vroeg ik onzeker. “Ja,” zei de agent. “Papegaaiensoep. En nu wegwezen.” Ik groette beleefd en stapte het busje uit. Opgelucht reed ik naar huis.
De hele volgende dag was ik kwijt aan het achterhalen van de betekenis van papegaaiensoep. Je had toen nog geen internet.
