Toen Stalin Finland in de winter van 1939-’40 voor het eerst aanviel, was het land pas 21 jaar onafhankelijk. Het grootste deel van de negentiende eeuw had het deel uitgemaakt van Rusland en de zes eeuwen daarvoor van Zweden. Finland was onderdeel van het geheime Molotov- Ribbentroppakt, dat Centraal-Europa opdeelde tussen Duitsland en de Sovjet-Unie, waarbij het toebedeeld werd aan de laatste. Toch heeft Finland, waar zo’n zes miljoen mensen wonen en dat een dertienhonderd kilometer lange grens met Rusland heeft, nooit echt zijn onafhankelijkheid verloren.

Dat had het niet te danken aan westerse steun, maar aan ‘de volharding van zijn volk, de integriteit van zijn elite en het talent van de man die de militaire leiding op zich had genomen, Carl Gustav Mannerheim,’ aldus The Economist. Deze Mannerheim, een voormalig generaal in het Russisch keizerlijke leger, voerde even fanatiek oorlog als hij realistisch was door een bittere vrede te accepteren. In maart 1940, ‘na zestien weken van bloedige strijd, zonder rust, overdag noch ’s nachts’, sprak hij tot zijn manschappen: “Onze troepen zijn niet verslagen door een vijand die, ondanks verschrikkelijke verliezen, wel steeds groter in aantal wordt. Een vijand wiens filosofie en morele waarden van de onze verschillen.”
Een vijand die op het slagveld niet verslagen kon worden. En toch kreeg Stalin zijn zin niet. Finland moest land inleveren, maar niet zijn mensen. Vierhonderdduizend Finnen werden uit Karelië geëvacueerd, dat aan de Sovjets werd overgedragen.
De Finse ervaring is vanaf het begin van de oorlog tussen Rusland en Oekraïne in allerlei hoofdkwartieren geciteerd. Was dit niet een te volgen model om verder bloedvergieten te vermijden en ’s lands onafhankelijkheid te garanderen, ondanks terreinverlies in het oosten? Mannerheims woorden zouden de eerste maanden van de oorlog ook in president Volodymyr Zelensky’s kantoor hebben rondgezongen, voordat ze in de kast werden gezet.
De vrede die Finland in 1944 werd opgedrongen, was inderdaad niet rechtvaardig, tien procent van zijn territorium ging verloren, te weten Karelië en het Ladogameer, het leger werd sterk ingekrompen en het land moest verplicht neutraal blijven. Finland werd verder gedwongen een Russische marinebasis te aanvaarden in Porkkala, een schiereiland in de Finse Golf, nog geen dertig kilometer van Helsinki. En omdat de Finnen later in de oorlog kozen voor Hitler, moesten ze een forse compensatie betalen aan de Sovjet-Unie, dat vijf jaar eerder Finland had aangevallen.
Een groot deel van de wereld zag deze optelsom als een nederlaag, maar dat geldt niet voor de Finse president Alexander Stubb, wiens vader geboren is in Karelië en wiens zomerhuis in Porkkala staat, dat sinds 1950 weer in Finse handen is. Volgens hem is het in alle gevallen belangrijker onafhankelijk te blijven dan te sterven voor de eer. Stubb werd in augustus ontvangen op het Witte Huis, waar Donald Trump hem voorhield dat het voorbeeld van 1944 wel eens gebruikt zou kunnen worden in 2025 om de oorlog in Oekraïne te beëindigen.
Zonder enige veiligheidsgaranties van het Westen heeft Finland zijn onafhankelijkheid beschermd, niet door zich anti-Russisch op te stellen, maar door een van de succesvolste landen in Europa op te bouwen. Omdat de Finnen angstvallig vermeden Moskou te irriteren, zowel politiek als in de media, werd deze houding in de rest van Europa ook wel finlandisering genoemd, het serviel buigen voor Moskou. Maar Stubb noemt het realpolitik in een tijd dat er geen andere keuzen waren.
Lang voordat Finland in 2023 lid werd van de Navo, had het al een systeem van ‘totale defensie’ ontwikkeld dat steunt op algemene dienstplicht en de vrijwillige participatie van privé-ondernemingen. Het leger kan inmiddels rekenen op een kleine miljoen getrainde burgers. Volgens Alexander Stubb staat Oekraïne er beter voor dan Finland in 1944, destijds ‘een doodarm land dat door niemand werd gesteund’. Dat kan van Oekraïne niet worden gezegd, maar of het Finse voorbeeld zal worden gevolgd, lijkt nu nog onwaarschijnlijk.
