Jaargang 6 • Verschijnt tweewekelijks • Losse nummers € 4

‘Je kan het zo meenemen voor één miljoen’

door | dec 20, 2022

Kees Manders was een beruchte nachtclubeigenaar, de Amsterdamse penoze was vaste klant bij hem. Amsterdam hing vol met grote affiches van stripteasedanseressen die bij hem optraden. Zijn vrouw Rika Jansen had Amsterdam huilt gezongen, een lied dat hij had geschreven. Manders had een goed gevoel voor publiciteit, heel Nederland had gelezen dat hij de Mebo II had geënterd, het schip van een radiopiraat.
“Klöters, ik wil zaken met je doen,” klonk het door de telefoon. “Jij bent van het Toneelmuseum, dus je hebt wel eens gehoord van Alex de Haas.”
Natuurlijk had ik van de kort daarvoor overleden De Haas gehoord, hij maakte heel ouderwetse cabaretprogramma’s voor de Avro-radio, sprak zuur over zijn jongere collega Wim Ibo die zulke programma’s op de tv presenteerde en die door hem ‘de vrouw met de baard’ werd genoemd. Toen Ibo een mooie documentaire had gemaakt over de vooroorlogse cabaretier Jean-Louis Pisuisse, zei De Haas: “Op deze avond is Pisuisse voor de tweede keer vermoord.” En toen een jonge cabaretier hem vroeg of hij de cabaretbijbel van Wim Ibo gelezen had, had De Haas geantwoord: “Meneer Lambrechts, wat denkt u, draait Barbara Streisand plaatjes van Corry Brokken?”
Alex de Haas had in vijftig jaar tijd een fameuze verzameling op het gebied van de kleinkunst opgebouwd, veel meer en veel mooier dan het Toneelmuseum bezat. Op de televisie had hij in de talkshow van Mies Bouwman verklaard dat die verzameling na zijn dood verbrand moest worden, zodat die niet bij de verkeerde mensen – lees: Wim Ibo – terecht zou komen.
“Klöters, je weet dat Lex de Haas een unieke verzameling had.”
“Ja meneer Manders, die zou verbrand worden na zijn dood.”
“Ja, maar die verzameling staat hier in mijn garage in Zandvoort en die kun je kopen voor een miljoen gulden.”

Op een zonnige ochtend reed ik in mijn Triumph Spitfire zingend naar Zandvoort. Manders woonde in een ruime bungalow en ontving me enigszins verrast. Een museummeneer was voor hem een deftige, kromgebogen, kale man met een lorgnet (zoiets als wat ik nu ben), en geen sjekkiesrollende langharige baardaap met ultrawijde pijpen.
“Roken?” Zonder mijn antwoord af te wachten hield hij een leren koker met enorme havana’s onder mijn neus. Hij drukte me in een diepe fauteuil en terwijl ik in mijn linkerhand een sigaar vasthield en in mijn rechterhand een kop koffie, begon een grote hond mijn schaamstreek te besnuffelen.
“Het punt is dat Lex de Haas een lul was,” zei Manders. “Vrienden had ie niet, daarvoor was zijn tong te scherp. Ik was eigenlijk nog de enige vriend die hij had. Dan belde ik hem op en dan kwam ik in een grote Amerikaan voorrijden in de Craandijkstraat, en dan reed ik hem naar het Kurhaus of zo, prikte een vorkje met hem, en dan kon ie de hele dag lekker kankeren op de huidige tijd. Geniale man was het, maar heel onaangenaam in de omgang. Als er weer eens zo’n tienersterretje op de tv was met een hitje, belde hij me op en riep: Kijken, Kees, er is weer zo’n zuigsoubrette op tv!”
“Niemand had zo’n mooie collectie boeken, prenten en zo als hij, en dat staat allemaal hier in mijn garage. Ik denk dat het bij jullie in het Toneelmuseum hoort. Je kan het zo meenemen voor een miljoen gulden.”
Ik wist dat zo’n bedrag door ons nooit betaald zou kunnen worden, maar ging er toch serieus op in. Manders bracht mij naar zijn garage, die helemaal vol stond met stellingen, en op die stellingen stonden boeken, mappen, dozen, spullen, schilderijen. Alles wat ik zag, gaf me een schok van herkenning. “Kijk lekker rond, jongen,” zei Manders. “Ik ga de krant lezen en als je wat moet dan hoor ik het wel.”
Ik stond midden in de legendarische collectie van Alex de Haas die nog nooit door iemand in zijn geheel bekeken was; De Haas liet niet gauw iets zien aan een ander. Ik had een dictafoontje in mijn hand (zo groot als een flink stuk zeep, dus klein voor die tijd) en begon alles op te sommen wat ik zag:
Tien bundels Speenhoff, klein en groot formaat, map met ongeveer honderd stuks gekleurde bladmuziek van Louis Davids, map met honderd handgeschreven brieven aan Max Tak in New York, koker met affiches uit de jaren twintig. Album Yvette Guilbert met opdracht. Brief van Aristide Bruant, plakboeken over de Dreigroschenoper, plakboek met foto’s en handtekeningen van alle bekende internationale sterren van voor de oorlog. Ongeveer twee meter bladmuziek met onvindbare series als Tavenu, Salon des Variétés, Chansonettenalbum. Stapel brieven van Toon Hermans en Wim Sonneveld. Originele lithos’s van… en zo maar door.
“Moet je een broodje paling?” vroeg Manders. “Ken je eruitkomen?” Ik vertelde hem dat ik het een prachtige collectie vond en dat ik hem graag wilde hebben. Hij moest natuurlijk door ons getaxeerd worden en dan zouden we een tegenbod doen. “Dat is niet nodig,” zei Manders, “want de prijs is een miljoen.”

Ik vroeg hoe hij het voor elkaar had gekregen om de laatste wil van De Haas – verbranden dat spul – te doorbreken. “Ik heb even op de weduwe ingepraat,” zei Manders. “Ik zeg: ‘Je hebt enorm geleden onder die kerel, die elke cent die hij verdiende in die collectie gestoken heeft. Misschien heeft hij zijn vriendin wel eens wat gegeven, maar jou nooit, nog geen nieuwe jurk kreeg je van hem! En dan zal hij je na zijn dood nog steeds belazeren? Je mocht wel gek zijn. We gaan een miljoen vangen voor dat spul en dan ga jij eindelijk jurken kopen! En je hebt een dochter in Engeland en een in Zürich en dan kun je het vliegtuig pakken wanneer je wilt om je kleinkinderen te zien. Lex kan helemaal de pest krijgen met dat verbranden van die spullen, wat jou?’ Het leek mij een krachtig argument.”
Terug op het museum werkte ik mijn aantekeningen uit, ik schatte de waarde van alle objecten en kwam uit op ca 36.000 gulden – het zou nu ongeveer 64.000 euro zijn. Ik stuurde het taxatierapport naar Manders met de mededeling dat we ons best wilden doen om fondsen te verwerven zodat we de collectie voor dat bedrag konden aanschaffen.
“Klöters, je bent een vuile klerelijer,” zei Manders door de telefoon, “en je hebt er totaal geen verstand van. Ik was best bereid iets van mijn vraagprijs af te doen, maar dit is een belediging. Ik zoek wel een andere plek.”
Ik belde met collega’s van de Universiteitsbibliotheek, het Rotterdamse Gemeentearchief, de Koninklijke Bibliotheek, en maakte duidelijk dat Manders ze zou benaderen met een collectie die het beste bij ons in het Toneelmuseum terecht kon komen. Ze gunden het ons.
Na verloop van tijd Manders weer aan de lijn: “Klöters, je bent een klerelijer en een gierige verrekkeling, maar we moeten toch nog eens praten. Ik heb hier en daar m’n licht eens opgestoken, maar ik vind toch dat die spullen het beste in jouw museum passen. Dan moet je natuurlijk met een beter voorstel komen, want jouw prijs sloeg helemaal nergens op.”
Ik stelde voor een onafhankelijke instantie de collectie te laten taxeren en die prijs aan te houden. Manders ging akkoord. De taxatie verschilde niet veel met die van mij. We vroegen subsidie aan bij het Prins Bernhardfonds, die kregen we, en zo kon de collectie van Alex de Haas gered worden.
En zo is die in het Toneelmuseum gekomen, en dat is opgenomen in de afdeling Bijzondere Collecties (tegenwoordig het Allard Pierson) van de Universiteit van Amsterdam. En een bijzondere collectie, dat is het.