Hebben ze nog iets te doen, openbare klokken? Ze zijn op de vingers van één hand te tellen. Op sommige van mijn fietsroutes kom ik er geeneen tegen. Ze zijn afgeschaft, en als ze niet afgeschaft zijn, zijn het relicten uit een vroeger tijdperk, wereldlijk of geestelijk. Maar deel uitmaken van de openbare ruimte, nee, dat doen ze niet meer.

Ik heb er eens even op gelet, voor een keer. Onderweg naar mijn wintertennishal passeer ik er drie. De eerste zit op het torentje van voorheen een politiebureau uit circa 1900, thans een chique Japanse kunsthandel – keramiek. Hij doet het nog gelukkig, maar is ’s avonds onzichtbaar. Hij slaat de uren, hele en halve, en dat doet me plezier. Als de grote wijzer op de helft is, ben ik gerust, want op tijd. Ik ga niet versnellen.
De tweede en de derde staan een heel eind verderop. Vrij dicht bij elkaar. Die tweede is de klok op de toren van een katholieke kerk, uitziende over een rotonde. De koperen cijfers en wijzers zien er goed onderhouden uit, maar ze doen niets meer. Het is daar jaar in, jaar uit vier voor twaalf. Schuin ertegenover staat op het trottoir, vlak bij een voormalig stationsgebouw, zo’n hoogst zeldzaam geworden stadsklok. Als die op ongeveer tien voor het hele uur staat, weet ik dat ik op tijd zal zijn.
Nu rijd ik langs een dierbare oude rafelrand van de stad. Tussen dit water en de museumspoorlijn heb ik ooit mijn enige ijsvogel gezien, een soort van duurzaam geworden geluk, waar ik het mijn hele verdere leven denkelijk mee zal moeten doen.
Ten slotte is daar de tennishal. Alle klokken binnen zijn er verdwenen, behalve die ene boven de banen. Het is deze klok die de precieze en vreedzame scheiding vormt tussen de gaande en de komende tennisser. Een tourniquet en een arbiter: voorbeeldige voorkomer van aanmerkingen en boze gezichten.
