In de vroege ochtend hoor ik vanuit allerlei bomen en schoorstenen jonge vogels kwetteren. Met veel lawaai komt een duif uit een plataan gevlogen, in de verte maken eenden lawaai en ergens blaft een hond. De lucht is nu al zwaar. Straks zal onze tuin in de zon baden. Ooit was dat een pluspunt: een hof op het zuiden. In het bouwjaar van ons huis, 1958, was dat zeker zo. De mensen geloofden toen met z’n allen nog dat iedereen die verbrandde, sneller bruin werd. Een zalige tijd. Huidkanker bestond nog niet.

Binnen in huis heerst intussen een opgewonden stemming. Twee paar benen rennen heen en weer. Ik hoor hoge stemmetjes de woorden ‘zwembanden’, ‘badpak’ en ‘handdoek’ roepen. Mijn man neemt zuchtend een slok koffie. En ik denk aan de stoeltjes die we niet moeten vergeten. Een mens zou maar eens uren aan de plas zonder moeten zitten.
Een uur later zijn we onderweg. De bakfiets zit vol met tassen, twee grote donutzwembanden van een bekend koekjesmerk en de kinderen, natuurlijk, de kinderen. Onze dochters zitten erbij zoals middelbare mannen in een cabriolet: één arm op de reling, een zelfvoldane glimlach op het gezicht en hopend dat andere mensen hen jaloers na zullen kijken.
Bij de plas is het afgeladen vol. We passeren het stuk waar de jongeren altijd liggen. Ik zie gebruinde billen met ertussen stringetjes, rook van een barbecue die aangestoken wordt en jongens die half over hun fatbike hangen.
Onze plek is verderop. Achter de schommel en naast de draaimolen. We zetten de fiets naast de snackbar die groot ‘Beachbar’ op de gevel heeft staan. Om het terras met witte plastic stoelen staan wel twintig strandvlaggen. Ik ruik de frituur. Al jaren wil de gemeente deze tent weg hebben. De sfeer en het uiterlijk zouden niet meer passen bij deze tijd. De Correspondent schreef er een groot stuk over en de buurt blijft komen. Het is een plek waar de ijsjes nog betaalbaar zijn, ook al worden hier alleen B-merken verkocht.
We stallen alles uit voor een opengebroken prullenbak. In het gras om de bak heen liggen blikjes, een vies T-shirt en een lege chipszak. We zwaaien naar mensen die we kennen. Sinds we op een schoolplein komen, is onze kennissenkring aanzienlijk groter geworden.
Nog voordat we klaar zijn met het neerleggen van het picknickkleed, zijn onze dochters al weg. Ik zie hoe ze het water in rennen. Tot aan de gele lijn, dat is de regel. De jongste heeft alleen nog haar A. De badmeester heeft ons op het hart gedrukt: dat betekent nog helemaal niks. En dus kijk ik. Ik installeer me op mijn campingstoel als een strandwacht. Voor de vorm leg ik een boek op mijn schoot. Maar ik weet: de komende uren kijk ik naar niets anders dan naar twee meisjes met blond haar, houd ik mijn adem in wanneer ik ze even niet zie en kan ik pas weer ontspannen als we thuis zijn. Precies zoals ouders dat al generaties doen. Net doen alsof jij ook vakantie hebt.
