Wij gingen verhuizen. Dat klinkt mooier dan het was. In werkelijkheid waren we uit onze woning in de Jordaanse Lindenstraat gezet en waren we vier maanden dakloos voordat we echt verhuisden. De nieuwe woning in het Floradorp ‘aan de overkant van het IJ’ had een achtertuintje met een schuurtje, beneden een woonkamertje met een keukentje en boven een paar minuscule slaapkamers. Het laatste schooljaar maakte ik in de Jordaan af, wat de cultuurschok met het toentertijd als berucht bekendstaande Floradorp verzachtte.

Toen ik boven in het kamertje van Rudolf en mij de wandkast inruimde, viel me iets op. Het hout van het vloertje waar ik mijn schoenen neerzette, was anders dan de plankenvloer in de rest van de kamer. Dat kon je zien doordat die vloer na het vertrek van de vorige bewoners kaal was. Hoe ik erbij kwam is me nog steeds een raadsel, maar ik haalde van beneden een schroevendraaier uit de gereedschapskist van pa, die bezig was een lamp aan het plafond te hangen. Toen ik tussen de planken wrikte, kwam het vloertje omhoog en even later keek ik in een zwart gat. De ruimte tussen de vloer en het plafond waar pa zo te horen nu de lamp ophing, bleek behoorlijk diep te zijn en toen ik mijn hand erin stak voelde ik daar iets kouds en glads. Ik trok het naar me toe en in het donkere gat doemden de omtrekken van een helm op. Toen ik die eruit tilde, bleek het een Duitse Stahlhelm te zijn, ik herkende hem van foto’s uit de oorlog.
Opnieuw daalde mijn arm in de donkere ruimte, waar iets aanvoelde als leer. Daarnaast lag iets dat een groot uitgevallen boek moest zijn. Na op mijn buik liggend in het gat te hebben gegraaid, lagen op de vloer naast me: een boek, een helm, een pistooltas, een mapje met ansichtkaarten, een enorm mes in een hoes, een verrekijker en een groene pet.
Ik rende de trap af, waar pa tevreden in het woonkamertje naar de lamp keek die nu aan het plafond hing. Toen ik zei: “Pa, je moet boven komen kijken, daar liggen een pistool en een mes,” holde hij de trap op en zag de verzameling naast het tegen de muur staande vloertje van de geheime bergplaats. Hij wist gelijk dat het pistool een negen millimeter Mauser was en stelde vast dat het ding op ‘veilig’ stond, maar dat in de kolf een houder met scherpe patronen stak. Nadat hij die eruit had getrokken, controleerde hij nog of er een patroon in de kamer zat – voor mij was het een snelcursus wapenkunde.
We bekeken samen het boek. Dat bleken ingebonden jaargangen te zijn van Signaal, een geïllustreerd Duits propagandablad, vol verslagen van het front in de sneeuw in Rusland alsook de strijd onder de brandende zon in Noord-Afrika. Uit het mapje met ansichtkaarten lachte ons een geüniformeerde man toe die een pet droeg met een glimmende klep waarboven, in groot contrast met zijn vriendelijke lach, een doodskop grijnsde.
Afgezien van foto’s toonden de ansichtkaarten getekende en geschilderde oorlogstaferelen en portretten van soldaten en volgens pa bekende Luftwaffe-piloten en U-boot-kapiteins uit de Tweede Wereldoorlog, allemaal met een zwart ijzeren kruis aan een rood-zwart lint. De Mauser met patroonhouder leverde pa een paar dagen later met het grote mes – het was een bajonet – in bij de politiepost op het Mosplein. De verrekijker bleek van hoge kwaliteit en viel in de smaak van een binnenvaartschipper die bij ons op bezoek was. Waardoor mijn nieuwsgierigheid nog een mooi bedrag aan extra zakgeld opleverde.
