Onverwachts geluk
Père Lachaise werkte in het onderwijs, maar hij dankt zijn faam aan zijn bijbaantje als biechtvader van Lodewijk XIV. Hij woonde met een roedel jezuïeten in een groot huis aan de oostkant van de stad. De revolutie maakte niet alleen korte metten met het koningshuis, maar ook met het vastgoed van de katholieke kerk. Napoleon liet de moestuin van de jezuïeten omploegen en maakte er een openbare begraafplaats van. Het is maar een kwartiertje van mijn appartement en ik loop er zo nu en dan even heen om bij Proust en Oscar Wilde langs te gaan. Als je verdwaalt – en dat is een genoegen tussen de grote oude bomen – kom je soms zomaar Chopin tegen, of Modigliani, of Jim Morrison.

Op een namiddag, toen ik op zoek was naar de uitgang, kwam het bij me op dat de begraafplaats zo beroemd is dat je, als je er zelf ooit wilt liggen, een beetje vooruit moet denken. Ik nam aan dat er een flinke wachtlijst zou zijn en dat het hoog tijd was om mijn naam erop te zetten. Ik hoopte dat je een voorkeur zou kunnen opgeven. Met Proust of Wilde als buurman zou ik na mijn dood best kunnen leven. Of met Edith Piaf, die zal nu ’s avonds haar mond wel houden. Morrison liever niet, die heb ik altijd een pretentieuze schreeuwlelijk gevonden. Het liefste zou ik bij de Mur des Fédérés liggen, in een uithoek van de begraafplaats, waar de laatste Communards zich eind mei 1871 verzamelden nadat hun poging om van Parijs iets socialistisch te maken was mislukt. Ze hielden tot de laatste man stand tegen het leger van de regering. Dat was heroïsch, en ook praktisch. Ze konden meteen ter plekke worden begraven.
Het bureau dat erover gaat, staat midden tussen de grafzerken, zodat je vast aan het idee kunt wennen. En er is geen wachtlijst. Eerst begreep ik dat verkeerd; ik dacht even dat je gewoon kon aankloppen als het zover was. Dat leek me een geruststellend idee en het was natuurlijk te mooi om waar te zijn. De dienstdoende ambtenaar, een vriendelijke man die de indruk wekte dat hij vaak sprak met mensen die over de dood nadenken, legde uit dat je moest bellen om te vragen of er plaats was. Men mag alleen bellen als men in Parijs woont, zei hij, wat mij nogal logisch leek op een gemeentelijke begraafplaats, en als men dood is. In het Frans kan je dat maken, on is veelzijdiger dan ons ‘men’, dus hij snapte niet waarom ik mijn lachen in moest houden. Een wachtlijst, besloot hij, zou onrechtvaardig zijn. Elke burger, arm of rijk, beroemd of obscuur, moet dezelfde kans hebben. Tijdens ons gesprek werd hij drie keer gebeld en hij moest telkens nee verkopen.
Vinden hier ooit begrafenissen plaats? vroeg ik. “Jazeker, monsieur,” zei de ambtenaar trots. “Veel families hebben aan de toekomst gedacht en beschikken over een graf waar nog wat plaats over is. En soms heeft iemand die opbelt ineens geluk, dat komt ook voor. Bovendien is er altijd ruimte in ons crematorium.”
