De veelzijdige Paul Gellings is een meervoud. Zijn schrijfdrift is imposant, de boekenplank waarop zijn werk staat, buigt gevaarlijk door: zo’n tien romans, daarnaast verhalenbundels, vertalingen en een proefschrift over het werk van Patrick Modiano. Klap op de vuurpijl, om in de sfeer van de titel te blijven, is de publicatie van De oerknal was een festival, Gellings’ poëzie van ruim een halve eeuw, samengebracht in ruim zevenhonderd bladzijden.

In andere levens stond Gellings vele jaren voor de klas om er Frans te geven, en speelt hij een rol in de lokale politiek. Voor lezers van dit blad is Gellings, onder meer als recensent, een vertrouwde naam.
Nu ligt er dan De oerknal was een festival, waarin vijf eerder verschenen bundels (uit de periode 1990-2016) zijn opgenomen naast ruim vierhonderd pagina’s met niet eerder gebundeld werk uit 2004-2025 en een tiental bladzijden ‘vroege verzen’. De titel van de bundel lijkt luidruchtig kabaal te beloven en een vluchtige blik op de inhoudsopgave geeft de indruk dat alle portefeuilles van de dichter nu geleegd zijn. Nogal wat gedichten zijn gelegenheidsgedichten, bijna zestig pagina’s zijn ingeruimd voor vertalingen. Het lijkt alsof veelheid hier de toon zet en de bundeling vooral van alles wat geeft. Beide indrukken bedriegen: de honderden gedichten, geschreven in het bestek van een mensenleven, kennen een geweldige samenhang, ondanks alle verschillen natuurlijk. Daarbij is Gellings’ werk ingetogen en soms zelfs verstild, juist wars van straatrumoer.
In verschillende tijden heeft Gellings de drie steden die het belangrijkst in zijn leven waren, in reeksen gedichten bezocht, of liever: weer opgezocht. Dat zijn Amsterdam, zijn geboorteplaats; Groningen, de stad waar hij studeerde; en Zwolle, de stad waar hij jaren woonde en werkte en nu leeft. In die stedengedichten, bij elkaar genomen een soort autobiografie, volgt Gellings de lijnen van zijn leven. Hij herinnert zich de voorbije dagen en de straten van toen en gefilterd, door een lichte waas, door nevels, schaduwen en mist, ziet hij de omtrekken van dat wat was. Het verleden geeft zich zelden helemaal prijs.
In de gedichten over Amsterdam en Groningen speelt het reizen een belangrijke rol. De eerste Amsterdamse reeks heet Zuidelijke Wandelweg, en het motto ervan plaatst de wandeling in bijzonder perspectief: ‘Uit de diepte van zijn kamer loopt de dichter mee met de wandelaar.’ De kamerreizen maken de dichter en de wandelaar onderweg tot een duo: waar het oog op valt, ‘smeekt telkens weer om bedevaart’. In de herinneringen is de heimwee nergens zoet: zo rijst onderweg ‘de schoorsteen van een crematorium’ op, en huist de pijn ‘in iedere stoepsteen’, en dat jaren voordat in Amsterdam de eerste Stolpersteine werden gelegd. Het eerste gedicht in Gellings’ vijfde bundel verplaatst de scène andermaal naar de Rivierenbuurt van zijn jeugd, waar een beeld van Anne Frank herinnert aan het meisje dat verdween en nu weer opduikt. Waar sentimentaliteit loert, kiest Gellings voor een wrede monterheid: ‘Daar ben je weer, Anne, voor altijd terug op dat vredige Merwedeplein.’
De verbeelding van Groningen (‘de stad waar ik slaap’) en de evocatie van Zwolle (‘ons vanzelfsprekende vandaag’) zijn bij Gellings minder door smart getekend. Deze gedichten staan stil bij geboorte en dood, de polen waartussen het leven zich afspeelt. Uiteenlopende locaties zijn het klaslokaal, de kroeg en de begraafplaats, maar het temperament en de stem van de dichter zijn steeds dezelfde.
In een enkel gedicht klinkt het misschien te mooi, te spitsvondig, zoals in een aangrijpend gedicht over de dode moeder, dat afsluit met ‘Maar gemis is geen verlies’, net iets te veel Kopland. Verrassender is de ambitie, verwoord in een ander gedicht, ‘de noodzaak om voor elke nieuwe dode te bouwen aan een stad achter de horizon’. In zijn gedichten bouwt Gellings die stad.
Het mooie van De Dikke Gellings is dat het de lezer vele avonturen biedt, kriskras lezend in de tijd, van gedicht naar gedicht: over Vlieland en Ameland, de cafégedichten, de gedichten over de leraar en zijn klas, het schitterende gedicht over het Duitse plaatsje Uedem, de gedichten waarin ‘veel te vroeg’ en ‘veel te laat’ elkaar naderen en een onbenoembaar tussengebied scheppen, de weg van de vertalingen naar de eigen gedichten. Het wemelt van de vele mogelijke lijnen in de bundel van de veelzijdige, ingetogen en zichzelf trouwe dichter Paul Gellings.
Paul Gellings: De oerknal was een festival. Gedichten 1972-2026; Passage, € 42,50
Bij bespreking van boeken van Argusmedewerkers kan strikte objectiviteit niet worden gegarandeerd.
UEDEM
Waar komen wij vandaan, de sporen terug
ze zijn ten slotte allemaal verdwenen zoals
kruimels brood van kinderen uit sprookjes
in de steek gelaten in een donker woud
In de Bahnhofstraße is het stil vandaag
onder de bomen voor die grauwe gevel
en verderop bij Gasthaus Kattelans
ingang door stof en spinrag overdekt
Waar zijn ze gebleven, tante Maria als meisje
in zonlicht voor de poort, mijn onkels Heinz
en Hans, hun paarden en hun wagens
Met die vraag heb ik een paar keer aangebeld
bij de voordeur met mijn naam erop, vergeefs
verhaal van Grimm door niemand naverteld
